December 2010
Vermindering van de auto-immuniteit door middel van een dieet
tijdens de eerste kinderjaren
(Knip M et al. N Engl J Med. 2010 Nov 11 ; 363(20): 1900-8.)
De voeding tijdens de eerste levensmaanden zou niet alleen
invloed kunnen uitoefenen op allergie, maar ook op het optreden
van auto-immuniteit. In een gerandomiseerde studie werden
kinderen met een HLA-type dat bevorderlijk was voor het optreden
van diabetes, en minstens één familielid met type 1-diabetes
gevoed met een caseïnehydrolysaat of flesvoeding met koemelk als
borstvoeding niet mogelijk was, de eerste zes tot acht
levensmaanden. Bij follow-up na tien jaar was de incidentie van
autoantistoffen die verband houden met type 1-diabetes
(antistoffen tegen GAD (glutamic acid decarboxylase), IA-2 (insulinoma-associated
2 molecule) et zinc transporter 8), de helft lager in de groep
die caseïnehydrolysaat had gekregen, dan in de controlegroep.
Daarmee werd voor de eerste keer aangetoond dat het gebruik van
een caseïnehydrolysaat een preventief effect zou hebben op
diabetes.
December 2010
Als de moeder tijdens de zwangerschap pindanootjes eet,
stijgt het risico op sensibilisering bij allergische kinderen
(Sicherer H et al. J Allergy Clin Immunol. Oct 27. [Epub ahead
of print])
Deze Amerikaanse studie werd uitgevoerd bij meer dan 500
kinderen van drie tot vijftien maanden die waarschijnlijk
allergisch waren voor melk en/of eieren, maar zonder diagnose
van allergie voor pindanootjes. Bij 27,8% van de zuigelingen was
de titer van specifieke IgE tegen pindanootjes meer dan 5 kµ/l.
Bij multivariate analyse correleerden antecedenten van
consumptie van pindanootjes tijdens de zwangerschap, een
verhoogde titer van specifieke IgE tegen koemelk (p = 0,001) en
eieren (p < 0,001) en het mannelijke geslacht (p = 0,02) het
best met een stijging van de specifieke IgE tegen pindanootjes
tot meer dan 5 kµ/l (odds ratio 2,9). De frequentie van
consumptie van pindanootjes tijdens de zwangerschap vertoonde
een dosisgebonden correlatie met een IgE-titer > 5 kµ/l. Bij
kinderen die nooit borstvoeding hadden gekregen, vervijfvoudigde
frequente consumptie van pindanootjes tijdens de zwangerschap
het risico op sensibilisering voor pindanootjes.
November 2010
Allergie voor koemelkproteïnen volgens een Italiaanse groep
(Solinas C et al. J Matern Fet Neonat Med. 2010 Oct ; 23 Suppl
3: 76-9.)
Een Italiaanse groep heeft een overzichtsartikel geschreven over
allergie voor koemelkproteïnen. 2 tot 7,5% van de kinderen is
allergisch voor koemelkproteïnen en die allergie houdt soms
langer aan dan vier jaar. Allergie voor koemelkproteïnen wordt
vermoed op grond van een gedetailleerde anamnese van de familie
en het kind, huidtests, patchtests en laboratoriumtests, gevolgd
door een eliminatiedieet en een provocatietest met
koemelkproteïnen. Er kunnen meerdere producten worden gebruikt
voor de voeding van allergische kinderen zoals gehydrolyseerde
caseïne en producten op basis van aminozuren en soja.
November 2010
Een Engelse review over opsporing en behandeling van allergie
voor koemelkproteïnen
(du Toit G et al. Arch Dis Child Educ Pract Ed. 2010 Oct ;
95(5): 134-44.)
Deze Angelsaksische auteurs hebben een overzichtsartikel
geschreven over allergie voor koemelkproteïnen. Dat is een van
de frequentste vormen van allergie in de ontwikkelde landen. De
allergie is invaliderend, ook al omdat een evenwichtige voeding
bijna altijd producten op basis van koemelk bevat. Allergie voor
koemelkproteïnen kan allerhande reacties uitlokken in
bijvoorbeeld de huid, het spijsverteringskanaal en de
luchtwegen. Naast de onmiddellijke door IgE gemedieerde
allergie, die gemakkelijk wordt herkend, zijn er almaar meer
bewijzen dat allergie voor koemelkproteïnen ook een late
allergie kan zijn, die zich uit in het spijsverteringsstelsel en
de huid en waarbij IgE geen duidelijke rol speelt. De
behandeling bestaat vooral uit het vermijden van
koemelkeiwitten, ook al lopen er pogingen tot desensibilisering.
Eén van de problemen bij allergie voor koemelkproteïnen is dat
er bij de behandeling voor moet worden gezorgd dat er geen
carentietoestanden optreden.
November 2010
Allergie voor pindanootjes: een overzicht
(Pansare M et al. Curr Op Pediatr. 2010 Oct ; 22(5): 642-6.)
In deze review worden de recente aanwinsten bij de behandeling
van allergie voor pindanootjes beschreven. De allergie begint
vroeger tijdens de kinderjaren en neemt toe in de ontwikkelde
landen. Het is nog niet duidelijk hoe de overgevoeligheid voor
pindanootjes precies ontstaat. De primaire behandeling bestaat
uit het vermijden van pindanootjes en uiteraard behandeling van
de anafylaxie bij een accidentele ingestie. Er werden meerdere
pogingen tot perorale desensibilisering uitgevoerd, met succes,
maar slechts bij een gedeelte van de behandelde kinderen. Er
lopen prospectieve studies die ons hopelijk zullen leren of
sensibilisering van hoogrisicokinderen voor pindanootjes beter
kan worden tegengegaan door een vroege toediening van hoge doses
pindanootjes dan door pindanootjes te vermijden.
Oktober 2010
Zuigelingeneczeem, slaapproblemen en geestelijke gezondheid
op de leeftijd van tien jaar
(Schmitt J et al. Allergy. Article first published online: 29
SEP 2010 | DOI: 10.1111/j.1398-9995.2010.02487.x)
Zuigelingeneczeem is een belangrijk teken van voedselallergie.
De LISAplus-studie is een studie die in meerdere Duitse centra
werd uitgevoerd om het effect te analyseren van een voeding
bestaande uit gedeeltelijk en/of sterk gehydrolyseerde
koemelkproteïnen. 54% van de aanvankelijk meer dan 3000
pasgeborenen werd gevolgd tot de leeftijd van tien jaar. De
kinderen die als zuigeling eczeem hadden vertoond, liepen een
hoger risico op ADHD op de leeftijd van tien jaar (odds ratio
1,78). Eczeem en slaapproblemen tijdens de eerste kinderjaren
hadden een voorspellende waarde wat het optreden van emotionele
problemen (OR 2,63) en gedragsproblemen (OR 3,3) op de leeftijd
van tien jaar betreft. Zuigelingeneczeem geneest meestal, maar
is dus duidelijk een risicofactor van ontwikkelingsproblemen
later in het leven.
Augustus 2010
Langdurige exclusieve borstvoeding vereist om het risico op
infectieziekten tijdens de eerste kinderjaren te verlagen
(Duijts L et al. Pediatrics. 2010 Jul ; 126(1): e18-25.)
De Generation Earth Study is een Nederlandse prospectieve studie
waarin de kinderen werden gevolgd vanaf het foetale leven.
Kinderen die tot de leeftijd van 4 maanden alleen borstvoeding
hadden gekregen en daarna nog gedeeltelijk, liepen tot de
leeftijd van 6 maanden een lager risico op infecties van de
bovenste en de onderste luchtwegen en het maag-darmkanaal dan
kinderen die nooit borstvoeding hadden gekregen (odds ratio
respectievelijk 0,65, 0,50 en 0,41) en ze vertoonden ook minder
ondersteluchtweginfecties tussen de leeftijd van 7 tot 12
maanden (odds ratio 0,46). Een soortgelijke tendens werd
waargenomen bij kinderen die 6 maanden of langer louter
borstvoeding hadden gekregen. Gedeeltelijke borstvoeding zelfs
gedurende 6 maanden verlaagt het risico op die infecties niet op
dezelfde manier. Het is dus vooral exclusieve borstvoeding tot
de leeftijd van 4 maanden, die infecties van de luchtwegen en
het spijsverteringskanaal bij jonge zuigelingen vermindert.
Augustus 2010
Borstvoeding vermindert het risico op koorts na vaccinatie
(Pisacane A et al. Pediatrics 2010; 125 e1448-e1452)
In deze studie werd het effect van borstvoeding onderzocht op
het risico op koorts na vaccinatie. In deze prospectieve studie
die werd uitgevoerd in Napels, bedroeg het aantal kinderen dat
koorts kreeg na vaccinatie 25% bij de kinderen die enkel
borstvoeding kregen, 31% bij de kinderen die een gemengde
voeding kregen, en 53% bij de kinderen die geen borstvoeding
kregen. Het relatieve risico op koorts bij kinderen die enkel
borstvoeding kregen, was dus lager: 0,46 in geval van exclusieve
borstvoeding en 0,58 in geval van een gemengde voeding. De
bescherming die wordt geboden door borstvoeding, persisteert ook
na correctie voor vertekenende factoren.
Augustus 2010
Geboorte via keizersnede verergert het risico op coeliakie,
maar niet op dat van inflammatoire darmaandoeningen
(Decker E et al. Pediatrics 2010; 125:e1433-e1440)
In deze studie werd het mogelijke verband onderzocht tussen een
geboorte via keizersnede en het optreden van
spijsverteringsaandoeningen later in de kinderjaren. In die
multicentrische, retrospectieve studie van 1950 kinderen was het
percentage geboorte via keizersnede vergelijkbaar bij de
kinderen die nadien een ziekte van Crohn of colitis ulcerosa
hebben ontwikkeld, en de controlekinderen. Kinderen die nadien
coeliakie hebben ontwikkeld, zijn wel vaker via keizersnede ter
wereld gekomen dan de controlekinderen (odds ratio 1,8). De
wijze van geboorte en de stoornissen van de ontwikkeling van de
darmhomeostase die door de keizersnede worden veroorzaakt
tijdens de neonatale periode, zouden een invloed kunnen hebben
op de incidentie van coeliakie.
Augustus 2010
Kinderen die flesvoeding krijgen, zouden hun consumptie
minder goed zelf kunnen regelen dan kinderen die borstvoeding
krijgen
(Li R et al. Pediatrics 2010;125: e1386-e1393)
Via welk mechanisme vermindert borstvoeding het risico op
obesitas bij kinderen? Een hypothese stelt dat kinderen die
borstvoeding krijgen, zelf hun voeding beter kunnen regelen. De
proefpersonen die hadden deelgenomen aan de "2005-2007 Infant
Feeding Practice Study 2" vulden maandelijks een vragenlijst in.
Slechts 27% van de zuigelingen die tijdens de eerste kinderjaren
alleen borstvoeding hadden gekregen, dronk hun fles of kop later
tijdens de kinderjaren volledig uit tegen 54% van de kinderen
die van meet af aan een gemengde voeding (borst- en flesvoeding)
hadden gekregen, en 68% van de kinderen die alleen flesvoeding
hadden gekregen. Bij multivariate analyse was het aantal
kinderen dat hun fles of kop later in het leven volledig
uitdronk, ongeveer tweemaal groter bij de kinderen die vroeg in
hun leven intensieve flesvoeding hadden gekregen, dan bij de
kinderen die minder intensief flesvoeding hadden gekregen.
Kinderen die flesvoeding krijgen, blijken hun fles of kop later
tijdens de kinderjaren gemakkelijker volledig uit te drinken,
wat uiteraard niet goed is in termen van preventie van obesitas.
Juni 2010
Verbetering van het dieet en de levenskwaliteit bij kinderen na
een negatieve orale provocatietest
(Flammarion S et al. Allergy. 2010 Nov 2. [Epub ahead of print])
Voedselallergie heeft een negatieve weerslag op de
levenskwaliteit van het kind. Met een orale provocatietest na
een eliminatiedieet kan worden nagegaan of het kind het
uitgesloten voedingsmiddel opnieuw kan verdragen. Wat gebeurt er
met de kinderen na de provocatietest, als die negatief blijkt te
zijn? Voor deze studie werden vragenlijsten verstuurd naar de
ouders van kinderen met een negatieve test. Slechts een klein
percentage van de ouders rapporteerde dat er na de
provocatietest symptomen waren opgetreden en in vier gevallen
waren die waarschijnlijk te wijten aan voedselallergie. 70% van
de ouders vond dat het leven van hun kinderen verbeterd was,
meer bepaald door het verwerven van nieuwe sociale activiteiten
en de deelname aan verjaardagen en maaltijden op school. De
schrik voor accidentele ingestie was echter niet volledig
verdwenen bij 37% van de ouders en 17% van de ouders zei dat ze
nog steeds schrik hadden, ongeacht of er al dan niet nog een
andere vorm van voedselallergie bestond.
Juni 2010
Consumptie van groenten, fruit en antioxidantia tijdens de
zwangerschap zou het kind kunnen beschermen tegen eczeem
(Miyake Y et al. Allergy. 2010 Jan 22. [Epub ahead of print])
In deze Japanse studie werd het verband onderzocht tussen de
consumptie van groenten, fruit en geselecteerde antioxidantia
tijdens de zwangerschap en het risico op wheezing of eczeem bij
de kinderen op de leeftijd van 16-24 maanden. Een hogere
consumptie door de moeder van groene en gele groenten,
citrusvruchten en bètacaroteen tijdens de zwangerschap
correleerde significant met een daling van het risico op eczeem,
maar niet van het risico op wheezing bij de zuigelingen (odds
ratio OR 0,41). Consumptie van vitamine E tijdens de
zwangerschap vertoonde een significante negatieve correlatie met
het risico op wheezing bij het kind, maar niet met het risico op
eczeem. Er werd geen significant verband waargenomen tussen de
totale consumptie van groenten, de consumptie van andere dan
groene en gele groenten, de consumptie van fruit, alfacaroteen,
vitamine C of zink en het risico op wheezing en eczeem.
Consumptie van groene en gele groenten, citrusvruchten en
bètacaroteen tijdens de zwangerschap zou het kind dus het best
beschermen tegen eczeem. Consumptie van vitamine E zou het
risico op wheezing verlagen.
Juni 2010
Vitamine D-insufficiëntie bij kinderen met astma als gevolg van
het gebruik van corticoïden
(Searing DA et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5):
995-1000.)
Het verband tussen vitamine D-deficiëntie en astma bij kinderen
is niet goed bekend. De plasmaconcentratie van 25-OH-vitamine D
werd gemeten bij 100 kinderen met astma en gecorreleerd met de
kenmerken van de patiënten. De gemiddelde spiegel was 31 ng/ml.
47% van de kinderen vertoonde een te lage spiegel (< 30 ng/ml)
en 17% vertoonde een duidelijk tekort (< 20 ng/ml). Er was een
negatieve correlatie tussen het aantal positieve huidtests en de
vitamine D-spiegel en een positieve correlatie tussen de
longfunctietests en de vitamine D-spiegel. Er werd een
significante negatieve correlatie vastgesteld tussen het gebruik
van inhalatiecorticosteroïden, corticoïden per os en de totale
dosis van corticoïden en de vitamine D-spiegel. Een lage
vitamine D-spiegel is dus gerelateerd aan het gebruik van
corticoïden en ook aan een slechtere longfunctie.
Juni 2010
Bijdrage van de lichte ketens van immunoglobulines tot de
allergische reactie op koemelkproteïnen
(Schouten B et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 Jun ; 125(6):
1308-14.)
2,5% van de jonge zuigelingen is allergisch voor
koemelkproteïnen. De allergie kan al dan niet worden gemedieerd
door IgE, ongeacht het oorzakelijke allergeen (caseïne of
oplosbare eiwitten). Bij de pathofysiologie van overgevoeligheid
voor koemelkproteïnen zouden ook de lichte ketens van
immunoglobulines een rol kunnen spelen. Dat werd onderzocht bij
gesensibiliseerde muizen en bij kinderen met een atopische
dermatitis als gevolg van een allergie voor koemelkproteïnen.
Bij de gesensibiliseerde muizen verschenen er geen specifieke
IgE-antistoffen tegen caseïne, maar steeg de titer van de lichte
ketens van de immunoglobulines. Bij de patiënten met allergie
voor koemelkproteïnen en atopische dermatitis waren de
concentraties van lichte ketens ook verhoogd. Een dergelijke
meting zou dus kunnen worden gebruikt bij de diagnostiek van
allergie voor koemelk bij kinderen.
Juni 2010
Epicutane desensibilisatie voor koemelk
Dupont C et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5):
1165-7.)
Allergie voor koemelkproteïnen is uitermate frequent bij
zuigelingen en kan in bijna 20% van de gevallen aanhouden tot na
de leeftijd van vijf jaar, vooral als de allergie gemedieerd
wordt door IgE. In een Franse studie werden de haalbaarheid en
de doeltreffendheid van een techniek van epicutane
desensibilisatie onderzocht, waarbij pleisters met melkpoeder op
de huid worden aangebracht. In die studie werd aangetoond dat de
techniek goed werd verdragen en dat het niveau van
melktolerantie bij die kinderen, die aanvankelijk slechts zeer
kleine hoeveelheden melk verdroegen, met factor 10 toenam. Die
epicutane techniek zou dus een alternatief kunnen zijn voor
methoden die gebaseerd zijn op orale inname en die toch steeds
een risico op anafylactische reactie inhouden.
Juni 2010
Kinderen die allergisch zijn voor melk of eieren, zijn vaak ook
allergisch voor pindanootjes
(Sicherer SH et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5):
1077-1083.e8.)
In een studie die in de Verenigde Staten werd uitgevoerd door
het Consortium of Food Allergy Research, werden de mechanismen
van voedselallergie onderzocht en werden biomerkers opgespoord
zoals huidtests, specifieke IgE-antistoffen en de respons van
mononucleaire cellen bij kinderen die allergisch waren voor melk
en eieren. De studie werd uitgevoerd bij kinderen van 3 tot 15
maanden met een positieve huidtest voor melk of eieren en
familiale antecedenten van allergie of een matig tot ernstig
eczeem. Kinderen die allergisch waren voor pindanootjes, werden
uit de studie geweerd. De resultaten waren dat kinderen die
allergisch waren voor melk of eieren, ook veel vaker een
verhoogde titer van specifieke IgE-antistoffen tegen
pindanootjes hadden (gewone sensibilisatie of echte allergie
voor pindanootjes). De serumtiters van specifieke IgE tegen
pindanootjes waren een gevoeligere indicator van sensibilisatie
dan de huidtests. De allergeenspecifieke expressie van IL4 zou
ook een merker van een allergisch risico kunnen zijn. Als de
expressie van GATA3-mRNA niet toeneemt, wijst dat erop dat de
allergeenspecifieke secretie van IL4 misschien niet toe te
schrijven is aan T-lymfocyten.
Juni 2010
Een update van het effect van probiotica bij diverse allergische
aandoeningen
(Özdemir O. Clin Experiment Immunol. 2010 Mar 16. [Epub ahead of
print])
Uit epidemiologische studies blijkt dat allergische kinderen een
andere darmflora hebben dan gezonde kinderen: ze hebben meer
Clostridiumbacteriën en minder bifidobacteriën. Bifidobacteriën
en Lactobacillus zijn de bacteriën die het vaakst worden
teruggevonden in de darmflora bij niet-allergische kinderen.
Probiotica zijn levende microben, die een gunstige invloed
kunnen uitoefenen op de darmflora. Een toename van bepaalde
probiotische bacteriën in de darmflora correleert met een
bescherming tegen allergie. Klinisch wordt vooral een
verbetering gezien bij allergische rinitis en eczeem als gevolg
van een door IgE gemedieerde overgevoeligheid. De gunstige
klinische effecten hangen evenwel af van tal van factoren zoals
het type bacteriën dat wordt gebruikt als probioticum, de
dosering, de wijze van toediening en onderliggende factoren
zoals de leeftijd en de voeding van het individu.
Juni 2010
Veiligheid van het griepvaccin bij kinderen die allergisch zijn
voor eieren
(Chung EY et al. Pediatrics. 2010 May ; 125(5): e1024-30.)
Recente richtlijnen raden aan een huidtest met het griepvaccin
uit te voeren voor injectie van het vaccin bij kinderen die
allergisch zijn voor eieren. Deze studie werd uitgevoerd bij 261
kinderen die allergisch waren voor eieren; 171 van die kinderen
hebben het vaccin gekregen. 95% van de 56 kinderen bij wie een
huidtest werd uitgevoerd voor toediening van het vaccin,
verdroeg het vaccin zonder ernstige reactie. Nadat werd beslist
om de huidtest met het vaccin niet meer uit te voeren,
veranderde dat cijfer helemaal niet.
97% van de 115
kinderen die het vaccin hebben gekregen zonder huidtest,
verdroeg het vaccin zonder ernstige bijwerking. Kortom, kinderen
die allergisch zijn voor eieren, kunnen zonder probleem worden
ingeënt met de twee doses van het griepvaccin zonder dat eerst
een huidtest moet worden uitgevoerd.
[NOOT: 3% REAGEERT DUS WEL DEGELIJK OP DE VACCINATIE!]
Juni 2010
Borstvoeding, sensibilisatie voor aerogene allergenen en
blootstelling tijdens de eerste kinderjaren zijn bepalend voor
allergische rinitis bij kinderen
(Codispoti CD et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5):
1054-1060.e1.)
In de meeste studies werd het beschermende effect van
borstvoeding onderzocht bij atopische dermatitis en astma.
Minder vaak werd het effect van borstvoeding op allergische
rinitis onderzocht. In deze studie werden kinderen uit de streek
van Cincinnati die een risico liepen op allergie, jaarlijks
gevolgd vanaf de leeftijd van 1 jaar tot de leeftijd van 3 jaar.
116 van de 361 kinderen vertoonden een allergische rinitis en
245 kinderen vertoonden geen tekenen van atopie of symptomen.
Kinderen die langdurig borstvoeding hadden gekregen, en kinderen
uit een kroostrijk gezin, vertoonden minder allergische rinitis
(odds ratio OR respectievelijk 0,8 en 0,4). De incidentie van
allergische rinitis op de leeftijd van 3 jaar was hoger bij
kinderen bij wie de huidtests positief waren op
voedselallergenen en aerogene allergenen (OR respectievelijk 4,4
en 6,8).
Juni 2010
Borstvoeding, astma, longfunctie en sensibilisatie bij jonge
schoolgaande kinderen
(Kull I et al. J Allergy Clin Immunol. May ; 125(5): 1013-9.)
Er is discussie over de vraag of borstvoeding al dan niet
beschermt tegen allergie. Het effect zou kunnen verschillen
naargelang het gaat om vroege dan wel latere verschijnselen van
allergie. In deze studie, die werd uitgevoerd met vragenlijsten,
werd aangetoond dat kinderen die gedurende 4 maanden of langer
alleen borstvoeding hadden gekregen, de eerste acht weken van
het leven een lager risico op astma liepen (odds ratio OR 0,63)
dan kinderen die minder dan 4 maanden alleen borstvoeding hadden
gekregen. Op de leeftijd van acht jaar werd ook een lager risico
op sensibilisatie (odds ratio OR 0,79) en astma (OR 0,59)
waargenomen bij de kinderen die uitsluitend borstvoeding hadden
gekregen gedurende 4 maanden of langer. Die groep had een betere
longfunctie. Borstvoeding zou dus kunnen beschermen tegen astma
bij kinderen op voorwaarde dat de borstvoeding minstens 4
maanden wordt gegeven
Juni 2010
Moet het eliminatiedieet zeer strikt zijn bij de preventie en
de behandeling van voedselallergie?
(Kim JS et al. Curr Opin Allergy Clin Immunol. 2010 Jun ; 10(3):
252-7.)
Dit overzichtsartikel handelt over het eliminatiedieet bij
voedselallergie en de preventie van voedselallergie. Tot voor
kort was de regel een strikt eliminatiedieet uitgaande van het
idee dat blootstelling allergische reacties zou kunnen
veroorzaken en dat eliminatie de genezing zou kunnen versnellen.
Volgens recente studies is dat waarschijnlijk niet helemaal
waar. In klinische studies werd inderdaad aangetoond dat sommige
kinderen die allergisch waren voor melk en eieren, gekookte
vormen van die voedingsmiddelen verdroegen. In studies met orale
immunotherapie werd aangetoond dat orale blootstelling aan
allergene voedingsmiddelen een desensibiliserend effect kan
hebben. En in epidemiologische studies tot slot kon niet worden
aangetoond dat de ontwikkeling van voedselallergie kon worden
voorkomen door een latere introductie van zeer allergene
voedingsmiddelen bij zuigelingen en jonge kinderen. Integendeel,
dat zou het risico zelfs kunnen verergeren. Een strikte
eliminatie is nog altijd de regel in een aantal situaties, maar
het zou kunnen dat daar verandering in komt en dat een
progressieve introductie van kleine hoeveelheden bij sommige
patiënten interessanter is dan een strikte eliminatie.
Juni 2010
Eczeem tijdens de eerste kinderjaren veroorzaakt geestelijke
gezondheidsproblemen op de leeftijd van 10 jaar: de resultaten
van de GINI-studie
(Schmitt J et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 Feb ; 125(2):
404-10.)
De follow-up van de GINI-cohorte, die in Duitsland werd gestart
tussen 1995 en 1998, heeft zeer interessante informatie
opgeleverd over de evolutie van allergie en de mogelijkheden tot
preventie. De gegevens die tot nog toe werden verzameld, geven
extra informatie over comorbiditeit. Bij recente analyses van
die cohorte werd inderdaad aangetoond dat kinderen die tijdens
de eerste kinderjaren eczeem hadden gehad, een significant hoger
risico op geestelijke gezondheidsproblemen op de leeftijd van 10
jaar en emotionele problemen liepen dan kinderen die nooit
eczema hadden gehad. Kinderen die enkel tijdens de eerste
kinderjaren eczeem hadden gehad, liepen een significant hoger
risico op gedragsproblemen op de leeftijd van 10 jaar. De
correlatie tussen eczeem en emotionele problemen op de leeftijd
van 10 jaar was nog sterker als het eczeem persisteerde.
Juni 2010
De gunstige effecten op lange termijn van borstvoeding op de
geestelijke gezondheid van kinderen en adolescenten
(Oddy WH et al. J Pediatr. 2010 Apr ; 156(4): 568-74.)
In de Western Australian Pregnancy Cohort werden 2900 zwangere
vrouwen gerekruteerd en werd het gezin gevolgd vanaf de geboorte
van het kind tot de leeftijd van 14 jaar. De geestelijke
gezondheid werd gemeten met de Child Behaviour Checklist (CBCL).
Kinderen en adolescenten die minder dan 6 weken borstvoeding
hadden gekregen, vertoonden meer problemen op het gebied van de
geestelijke gezondheid dan als ze borstvoeding hadden gekregen
gedurende 6 maanden of langer. Bij wiskundige analyse werd
aangetoond dat er meer gedragsproblemen optraden naarmate de
duur van de borstvoeding korter was. Een kortere duur van
borstvoeding zou dus een negatieve weerslag kunnen hebben op de
geestelijke gezondheid tijdens de kindertijd en de adolescentie.
Juni 2010
Exclusieve borstvoeding blijkt prematuren te beschermen tegen
ulceronecrotiserende enterocolitis (Sullivan S et al. J
Pediatr. 2010 Apr ; 156(4): 562-7.e1.)
Zuigelingen die worden gevoed met de melk van hun eigen moeder,
werden in 3 groepen ingedeeld met of zonder extra producten op
basis van koemelkproteïnen. De demografische kenmerken, de duur
van parenterale voeding, het percentage septikemie en de groei
waren vergelijkbaar in de 3 groepen. De incidentie van
ulceronecrotiserende enterocolitis (p = 0,02) en van
ulceronecrotiserende enterocolitis waarvoor een heelkundige
ingreep diende te worden uitgevoerd (p = 0,007) was significant
lager in de groep die alleen moedermelk kreeg. Toevoeging van
koemelkproteïnen aan de moedermelk, wat noodzakelijk is op
nutritief vlak, zou dus de incidentie van ulceronecrotiserende
enterocolitis kunnen verhogen.
Maart 2010
Een hoger IgA-gehalte in de darmen verlaagt het risico op
door IgE gemedieerde allergische aandoeningen
(Kukkonen K et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Jun 26. [Epub
ahead of print])
Het is nog niet heel duidelijk hoe orale tolerantie wordt
verkregen en welk effect probiotica daarop hebben. Deze groep
onderzocht het IgA-gehalte in de darmen bij kinderen met een
hoog risico op allergie die werden behandeld met probiotica,
prebiotica of een placebo. Bij de kinderen die op de leeftijd
van 6 maanden een hoog fecaal IgA-gehalte vertoonden, was het
risico op ontwikkeling van een allergische aandoening voor de
leeftijd van 2 jaar de helft lager (odds ratio 0,52) en was ook
het risico op door IgE gemedieerde atopische aandoeningen
significant lager (OR 0,49). Ook een hoog calprotectinegehalte
in de feces op de leeftijd van 6 maanden correleerde met een
lager risico op door IgE gemedieerde atopische ziekte tot de
leeftijd van 2 jaar (OR 0,49). Alle ontstekingsmerkers in de
feces (alfa1-antitrypsine, TNF-? en calprotectine) vertoonden
een positieve correlatie met het fecale IgA-gehalte. Probiotica
verhoogden het IgA-gehalte in de feces en verhoogden significant
het alfa1-antitrypsinegehalte.
Maart 2010
Borstvoeding en hoge prevalentie van allergische aandoeningen
bij schoolgaande kinderen: is er een omgekeerd oorzakelijk
verband?
(Kusunoki T et al. Pediatr Allergy Immunol. 2010 Jan 14. [Epub
ahead of print])
Het zou kunnen dat kinderen die een hoger risico lopen op
allergie, langer borstvoeding krijgen dan kinderen met een lager
risico omdat de moeders hopen dat borstvoeding ze beschermt
tegen atopische aandoeningen. In studies zou een statistisch
verband zijn aangetoond tussen langere borstvoeding en het
optreden van allergische verschijnselen en dat zou getuigen van
een "omgekeerd oorzakelijk verband". Om dat verder te
onderzoeken, hebben de auteurs bij ouders van kinderen van 7 tot
15 jaar een studie met vragenlijsten uitgevoerd. Bij univariate
en multivariate analyse was de prevalentie van astma lager bij
de kinderen die borstvoeding of een gemengde voeding hadden
gekregen. Bij multivariate analyse was de prevalentie van
atopische dermatitis en voedselallergie significant hoger bij de
kinderen die borstvoeding hadden gekregen. Er was dus een
significant sterkere tendens tot volledige borstvoeding bij de
kinderen met een hoger risico op allergie. Volgens de auteurs is
het ogenschijnlijke positieve verband tussen atopische
dermatitis en voedselallergie enerzijds en borstvoeding
anderzijds toe te schrijven aan een fenomeen van "omgekeerd
oorzakelijk verband".
Maart 2010
Vroege blootstelling aan voedselallergenen en ontwikkeling
van eczeem
(Sariachvili M et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Jul 1. [Epub
ahead of print])
De gezondheidsautoriteiten raden aan om niet voor de leeftijd
van zes maanden te starten met een gediversifieerde voeding
teneinde allergie te voorkomen. Maar niet in alle studies kon
worden aangetoond dat het risico op allergie vermindert als pas
later wordt gestart met een gediversifieerde voeding. In deze
studie bij 1128 kinderen werd aangetoond dat een vroeg starten
met een gediversifieerde voeding het risico op allergie niet
verhoogt. De auteurs besluiten inderdaad dat toediening van vast
voedsel voor de leeftijd van vier maanden het risico op eczeem
vermindert, maar alleen bij kinderen met familiale antecedenten
van allergie (OR : 0,35). Ze preciseren evenwel dat hun studie
geen voldoende basis vormt om de in voege zijnde aanbevelingen
op de helling te zetten.
Maart 2010
Een algemeen overzicht van allergie voor eieren
(Benhamou AH et al. Allergy. 2009 Nov 12. [Epub ahead of print])
Allergie voor eieren is de frequentste vorm van voedselallergie
bij kinderen jonger dan drie jaar, samen met allergie voor
melkproteïnen en pindanootjes. De allergie veroorzaakt symptomen
van de huid en het spijsverteringskanaal en mondt soms uit in
een anafylactische reactie. Er zijn ook niet door IgE
gemedieerde symptomen zoals eosinofiele darmaandoeningen en door
eieren veroorzaakte enterocolitis. Sensibilisatie is mogelijk
ook als er geen klinische symptomen zijn. De diagnose stoelt op
een anamnese, IgE-tests en een voedselanamnese. Het
belangrijkste allergeen, het ovomucoïd, is bekend. Dat samen met
recente technologische aanwinsten biedt uitzicht op snelle
diagnostische tests. De behandeling bestaat uit het vermijden
van eieren. Er zijn evenwel schema's voor tolerantie-inductie in
onderzoek.
Maart 2010
Moedermelk, hét voorbeeld van beschermende voedingsstoffen
(Walker A. J Pediatr Feb ; 156(2 Suppl): S3-7.)
In een overzichtsartikel bespreekt Allan Walker de verschillende
voordelen van moedermelk voor baby's. Moedermelk stimuleert de
ontwikkeling van de afweer van de pasgeborene om het slijmvlies
te beschermen. Later kunnen meerdere gunstige effecten van
borstvoeding in het licht worden gesteld zoals een preventief
effect op een aantal aandoeningen. Een belangrijke functie van
vroege borstvoeding is het tegengaan van een overdreven onrijpe
ontstekingsreactie bij de pasgeborene. Moedermelk bevat meerdere
bestanddelen die de ontstekingsreactie kunnen verminderen, zoals
TGF-?, interleukine (IL)-10, erytropoëtine en lactoferrine. Die
bestanddelen kunnen individueel of samen werken om de onrijpe
anti-inflammatoire respons van pasgeborenen onder controle te
houden.
22 maart 2010
Lactobacillus casei wijzigt de darmflora bij zuigelingen
(Cox MJ et al. PLosOne 2010 Jan; 5(1): e8745.)
Kolonisatie van de zuigeling door micro-organismen tijdens het
eerste levensjaar is cruciaal voor de ontwikkeling van een
evenwichtige immuunrespons. Vroege afwijkingen veroorzaken
aandoeningen zoals astma en atopie. In deze studie kregen
kinderen van zes maanden supplementen van Lactobacillus casei
LGG. Een grote hoeveelheid LGG bevorderde de vorming van
bepaalde fylogenetische clusters van bacteriën waaronder een
aantal al bekende probiotische species. Vanuit ecologisch
standpunt is dat verschijnsel kenmerkend voor een bacteriële
flora die resistenter is tegen stoornissen en tegen groei van
pathogenen. Bij analyse met PhyloChips werden taxa
(fylogenetische evolutiegroepen) geïdentificeerd, die een
negatieve correlatie vertoonden met een overvloed aan LGG en
waarvan al was aangetoond dat ze atopie in de hand werken. Het
gebruik van LGG zou dus een stabiele, evenwichtige en
functioneel redundante flora kunnen bevorderen.
Maart 2010
Het verband tussen blootstelling aan koemelkproteïnen en het
risico op type 1-diabetes hangt af van genetische factoren
(Lempainen J et al. J Autoimmun. 2009 Sep ; 33(2): 155-64.)
Het verband tussen type 1-diabetes en de consumptie van
koemelkproteïnen vroeg in de kinderjaren werd uitgebreid
onderzocht, maar de resultaten zijn tegenstrijdig. Een Finse
groep heeft het effect onderzocht van een aantal polymorfismen
van de genen van diabetes op het optreden van type 1-diabetes
bij kinderen die al op zeer jonge leeftijd werden blootgesteld
aan koemelkproteïnen. Het allel PTPN22 C1858T is gelinkt aan de
vorming van autoantistoffen en type 1-diabetes bij kinderen als
ze werden blootgesteld aan koemelkproteïnen voor de leeftijd van
zes maanden, maar niet erna. Dat wijst op een relatie tussen
genetische en omgevingsfactoren. Die resultaten wijzen er ook op
dat het onderzoek ter zake moet worden gecentreerd op precieze
perioden van blootstelling, waarschijnlijk zeer vroeg in het
leven van het kind.
Maart 2010
Voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en allergische
sensibilisering van het kind op de leeftijd van vijf jaar
(Nwaru BI et al. Pediatr Allergy Immunol. [Epub ahead of print])
In de prospectieve Finnish type 1 Diabetes Prediction and
Prevention Nutrition Study werd onderzocht welke factoren het
optreden van diabetes in de hand werken en vooral dan de rol van
consumptie van koemelk. Er werd een duidelijk verband aangetoond
tussen de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en
allergeenspecifieke IgE op de leeftijd van vijf jaar. Er werd
een hogere sensibilisering voor aerogene allergenen waargenomen
als de moeder tijdens de zwangerschap meer citrusvruchten en
fruit had gegeten. Anderzijds werd een duidelijke correlatie
waargenomen tussen de consumptie van vitamine D door de moeder
en sensibilisering voor voedselallergenen. Volgens die studie
zou de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap een invloed
kunnen uitoefenen op het risico op allergie: de consumptie van
citrusvruchten zou het risico verhogen en de consumptie van
vitamine D zou het risico verlagen.
Maart 2010
Immunotherapie bij voedselallergie
(Kurihara K. Allergol Int. 2010 Feb 25; 59(1) [Epub ahead of
print])
De behandeling van voedselallergie bestaat vooral uit het
vermijden van het oorzakelijke voedingsmiddel. Maar volgens
meerdere studies zou immunotherapie kunnen worden overwogen bij
voedselallergie. De immunotherapie is momenteel gebaseerd op
orale toediening van progressief stijgende hoeveelheden van het
voedingsmiddel. Dit overzichtsartikel geeft een samenvatting van
de huidige resultaten en bespreekt de onderliggende mechanismen
en de huidige indicaties. Bij atopische dermatitis wordt nogal
gemakkelijk en ongecontroleerd een eliminatiedieet
voorgeschreven. Misschien kan daarvan worden afgezien dankzij
immunotherapie.
Maart 2010
Geen verhouding tussen allergie voor koemelkeiwitten en
multipele sclerose: een populatiestudie (Ramagopalan SV et
al. J Neurol Sci. 2010 Jan 20 [Epub ahead of print])
Waarschijnlijk spelen auto-immuunverschijnselen mee bij de
pathofysiologie van multipele sclerose en zou vitamine D
bijdragen tot de vatbaarheid voor de ziekte. Allergie voor
koemelkproteïnen is eveneens te wijten aan een onevenwichtigheid
van het immuunsysteem en kan leiden tot vitamine D-tekort door
onvoldoende consumptie van zuivelproducten. In deze Canadese
populatiestudie werd het verband onderzocht tussen allergie voor
koemelkproteïnen tijdens de kinderjaren en het latere optreden
van multipele sclerose. Bij vergelijking van patiënten met
multipele sclerose en de echtgenoot/echtgenote als controlegroep
werd er geen verschil waargenomen tussen de twee populaties.
Kortom, allergie voor koemelkproteïnen tijdens de kinderjaren
blijkt geen risicofactor te zijn van multipele sclerose.
Maart 2010
Onderzoek van vroege consumptie van vis en visolie bij de
preventie van eczeem en astma (Oien T et al. J Epidemiol
Community Health. 2010 Feb; 64(2): 124-9)
In deze studie werd getracht uitsluitsel te geven wat het effect
van polyonverzadigde n-3-vetzuren en vis betreft bij de primaire
preventie van allergische aandoeningen. In de Noorse cohorte
Prevention of Allergy among Children in Trondheim bedroeg de
gemiddelde leeftijd waarop werd gestart met het eten van vis,
9,1 maanden. Als de kinderen die eczeem hadden gekregen voor de
leeftijd van 1 jaar, bij de analyse werden uitgestoten,
verlaagde visconsumptie het risico op ontwikkeling van eczeem (odds
ratio 0,62 voor =>1 vis/week, 0,21 voor visolie en 0,67 voor
magere vis). De relaties tussen de voeding van de moeder en
eczeem op de leeftijd van 2 jaar en tussen voedingsfactoren en
astma op de leeftijd van 2 jaar waren niet significant. Volgens
die studie zou visconsumptie tijdens de eerste kinderjaren
belangrijker zijn bij de preventie van eczeem tijdens de
kinderjaren dan het eten van vis tijdens de zwangerschap.
Maart 2010
Een overzicht van het risico op atopie bij kinderen die op
jonge leeftijd werden blootgesteld aan vis, visolie of
polyonverzadigde langeketenvetzuren
(Kremmyda LS et al. Clin Rev Allergy Immunol. 2009 Dec 9 [Epub
ahead of print])
Er zijn 2 grote families van polyonverzadigde langeketenvetzuren,
de n-6- en de n-3-familie. En de consumptie ervan zou het risico
op allergie kunnen beïnvloeden. Deze auteurs hebben alle studies
die daarover werden gepubliceerd, onder de loep genomen.
Consumptie van visolie tijdens de zwangerschap zou
sensibilisatie voor de gewone voedselallergenen kunnen
verminderen en de prevalentie en de ernst van een atopische
dermatitis tijdens het eerste levensjaar kunnen verlagen. Het
gunstige effect op eczeem, allergische rinitis en astma houdt
waarschijnlijk aan tot de adolescentie. Zuigelingen en kinderen
die visolie innemen, lopen misschien minder kans om allergische
verschijnselen te ontwikkelen, maar die bescherming is mogelijk
niet van lange duur. Tot slot is het niet zeker dat de
consumptie van visolie werkelijk gunstige effecten heeft bij
kinderen met astma. Al bij al zijn de resultaten van de studies
onvoldoende, maar ze lijken er toch op te wijzen dat de
n-3-familie een beschermend effect heeft. Hoe vroeger het kind
visolie inneemt, des te sterker zou het effect zijn.
Februari 2010
Percentage werkelijk allergische kinderen bij
overgevoeligheid voor pindanootjes
(Nicolaou N et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 Jan; 125(1):
191-7.e1-13.)
Niet alle kinderen die overgevoelig zijn voor pindanootjes,
ontwikkelen allergische reacties als ze worden blootgesteld aan
pindanootjes. In deze studie werd met orale provocatietests
nagegaan welk percentage van de kinderen werkelijk allergisch
was voor pindanootjes binnen de groep van de gesensibiliseerde
kinderen van een Britse geboortecohorte. 11,8% van de 933
kinderen was overgevoelig voor pindanootjes. Bij die kinderen
werden provocatietests uitgevoerd, eventueel dubbelblind en
placebogecontroleerd, behalve in geval van een manifeste reactie
of een IgE > 15 KE/l. Daarbij werd vastgesteld dat de reële
prevalentie van klinische allergie bij die gesensibiliseerde
kinderen 22,4% was. Overgevoeligheid voor het bestanddeel Ara H
2 was de sterkste voorspeller van klinische allergie. Kortom,
slechts 22,4% van de gesensibiliseerde kinderen zou echt
allergisch zijn voor pindanootjes.
Februari 2010
Een specifiek HLA-fenotype bij voedselallergie?
(Savilahti EM et al. Int Arch Allergy Immunol. 2009 Dec; 152(2):
169-177. [Epub ahead of print].)
De immunologische respons van zuigelingen op koemelkproteïnen,
die in 2 tot 3% van de gevallen uitmondt in voedselallergie, zou
minstens ten dele kunnen afhangen van genetische factoren. Een
Finse ploeg heeft bij kinderen die allergisch waren voor
koemelkproteïnen, aangetoond dat het haplotype (DR15)-DQB1*0602
gepaard ging met hogere spiegels van specifieke IgG tegen
bètalactoglobuline, specifieke IgG4 tegen bètalactoglobuline en
specifieke IgG tegen alfacaseïne dan in de controlegroep. Het
haplotype (DR1/10)-DQB1*0501 daarentegen ging gepaard met een
lagere totale IgG-spiegel en een lagere spiegel van specifieke
IgG4 tegen bètalactoglobuline en ovalbumine, vooral in de
controlegroep. Bij patiënten met eczema en allergie voor
koemelkproteïnen hadden mutaties van filaggrine geen invloed op
de immuunrespons. Het HLA II-systeem blijkt dus een invloed te
hebben op de vroege humorale respons op voedselallergenen.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20016199
Januari 2010
Voedselallergie: wat is een positieve orale provocatietest?
(Niggemann B. Allergy. 2009 Oct 1. [Epub ahead of print])
Orale provocatietests zijn een standaardonderzoek bij de
diagnostiek van voedselallergie en worden uitgevoerd om een
duidelijk antwoord te verkrijgen van het type ja of neen. Maar
dat antwoord is vaak moeilijk te verkrijgen. Er werden veel
voorstellen gedaan om criteria op te stellen voor stopzetting
van de orale provocatietest. In de klinische praktijk lijkt het
redelijk een provocatietest uit te voeren tot er objectieve en
duidelijke symptomen verschijnen zonder de patiënten schade te
berokkenen. Hoe eerder de symptomen verschijnen, hoe hoger de
kans dat ze een echte positieve reactie weerspiegelen. Hoe hoger
het aantal aangetaste organen, des te gemakkelijker kan de test
als positief worden beschouwd. Als de reactie weinig duidelijk
is, moet de observatie worden voortgezet voor opnieuw eenzelfde
dosis van het onderzochte voedingsmiddel wordt gegeven. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19796198?
Januari 2010
Evaluatie van het psychische leed bij kinderen met
voedselallergie
(LeBovidge JS et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Dec ; 124(6):
1282-8.)
Jonge kinderen met voedselallergie kunnen psychische stress
vertonen als gevolg van een beperking van hun activiteiten,
verschillen met andere kinderen en angst. In deze studie werden
de verschillende componenten van de psychische stress gemeten
met vragenlijsten die door de families werden ingevuld. De
gemiddelde scores van angstsymptomen, depressieve symptomen en
sociale stress die werden gerapporteerd door de kinderen en de
ouders, lagen rond het gemiddelde van de gestandaardiseerde
metingen van distress bij kinderen. Bij vergelijking met de
normale scores werd over het algemeen geen verschil waargenomen
of zelfs minder psychisch leed behalve wat het vermogen betreft
om de angst en de angstsymptomen als gevolg van een scheiding te
verwerken. Volgens de moeders waren de symptomen ernstiger dan
volgens de kinderen zelf. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19910035?
Januari 2010
De immunologische respons is niet dezelfde bij een eosinofiele
gastro-enteropathie als bij anafylaxie op pindanootjes
(Prussin C et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Dec ; 124(6):
1326-32.e6.)
Anafylactische reacties bij voedselallergie en eosinofiele
maag-darmaandoeningen zijn te wijten aan een Th2-respons en
voedselspecifieke IgE, maar de klinische presentatie is erg
wisselend. Deze groep heeft de immunologische verschillen
onderzocht tussen patiënten die allergisch waren voor
pindanootjes, en patiënten met een allergische eosinofiele
maag-darmaandoening. Er werden twee onderscheiden populaties van
Th2-cellen ontdekt: IL5-positieve en IL5-negatieve. IL5
stimuleert de eosinofielen. IL5-positieve Th2-cellen waren
20-maal frequenter bij een eosinofiele gastro-enteropathie dan
bij allergie voor pindanootjes, terwijl de frequentie van
IL5-negatieve Th2-cellen dezelfde was in de twee populaties. Het
aantal IL5-positieve voedselallergeenspecifieke Th2-cellen was
verhoudingsgewijs hoger bij een eosinofiele gastro-enteropathie
dan bij allergie voor pindanootjes. In tegenstelling tot wat
werd waargenomen bij een eosinofiele gastro-enteropathie,
correleerde het aantal IL5-negatieve pindanootjesspecifieke
Th2-cellen sterk met de titer van specifieke IgE tegen
pindanootjes. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20004787?
Januari 2010
Zelden moet adrenaline worden gegeven en er treden zelden
bifasische reacties op bij voedselprovocatietests bij kinderen
(Järvinen KM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Dec ; 124(6):
1267-72.)
Er zijn weinig gegevens over het gebruik van adrenaline en het
optreden van bifasische reacties bij allergische kinderen bij
voedselprovocatietests die een anafylactische reactie
veroorzaken. De details van de orale provocatietests die werden
uitgevoerd tussen 1999 en 2007, werden in een gegevensbank
gestoken. Bij analyse van die gegevens werd vastgesteld dat er
een reactie is opgetreden in 34% van de gevallen. Er werd
adrenaline toegediend bij 11% van de positieve provocatietests,
dus 3,9% van het totaal, bij 16% van de tests die positief waren
op eieren, bij 12% van de tests die positief waren op melk, bij
26% van de tests die positief waren op pindanootjes, bij 33% van
de tests die positief waren op noten, bij 7% van de tests die
positief waren op soja, bij 3,9% van de tests die positief waren
op tarwe, en bij 9% van de tests die positief waren op vis.
Reacties waarvoor adrenaline moest worden gegeven, zijn
opgetreden bij eerder oudere kinderen (7,9 jaar) en werden vaker
uitgelokt door pindanootjes. In 2% van de gevallen betrof het
bifasische reacties. Geen enkele reactie leidde tot
levensbedreigende respiratoire of cardiovasculaire problemen.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20004784?
Januari 2010
Roken voor de geboorte en postnatale blootstelling aan lood:
een 8-maal hoger risico op ADHD bij het kind
(Froehlich TE et al. Pediatrics. 2009 Dec ; 124(6): e1054-63.)
ADHD (aandachtstekort met activiteitsstoornis) heeft een
weerslag op de schoolprestaties, het sociale en het gezinsleven
van het kind en veroorzaakt leed bij het kind en/of zijn
omgeving, die het kind als "onverdraaglijk" kan ervaren. Volgens
de gegevens van de 2001/2004 National Health Examination and
Survey vertoont 8,7% van de kinderen in de Verenigde Staten ADHD.
Het risico op optreden van een dergelijk syndroom stijgt bij
prenatale blootstelling aan tabak (odds ratio 2,4) en als de
loodspiegel in het bloed verhoogd is op het ogenblik van het
onderzoek (odds ratio 2,3). Kinderen die voor de geboorte werden
blootgesteld aan tabak en na de geboorte aan lood, lopen een
8-maal hogere kans om ADHD te krijgen.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19933729?
Januari 2010
Voedselallergie neemt toe bij kinderen in de Verenigde Staten
(Branum AM et al. Pediatrics. 2009 Dec; 124(6): 1549-55.)
Deze Amerikaanse auteurs hebben de prevalentie van
voedselallergie en de tendens wat voedselallergie betreft
onderzocht bij Amerikaanse kinderen. De gegevens die werden
verzameld in meerdere cohorten, leren dat 3,9% van de
Amerikaanse kinderen jonger dan 18 jaar in 2007 voedselallergie
rapporteerde. De prevalentie van door de patiënten
gerapporteerde voedselallergie is dus tussen 1997 en 2007
gestegen met 18%. In 2005-2006 konden specifieke IgE tegen
pindanootjes worden aangetoond bij ongeveer 9% van de kinderen
in de Verenigde Staten. Tussen 2003 en 2006 waren er per jaar
gemiddeld 317 000 opnames op de spoedgevallendienst of visites
wegens voedselallergie. De incidentie van voedselallergie zou
dus eerder toenemen in de Verenigde Staten.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19917585?
Januari 2010
Multivitaminesupplementen tijdens de eerste levensjaren zouden
het risico op voedselallergie op schoolgaande leeftijd kunnen
verlagen
(Marmsjö K et al. Am J Clin Nutr. 2009 Dec; 90(6): 1693-8.)
Kinderen krijgen vaak multivitamines en mogelijk spelen die een
rol bij het uitlokken van allergie. In een Zweedse
geboortecohorte werd gezocht naar een eventueel verband tussen
multivitaminesupplementen en allergische aandoeningen op de
leeftijd van 8 jaar. Er was geen sterke, consistente relatie
tussen het gebruik van multivitamines op de leeftijd van 8 jaar
en astma, allergische rinitis, eczema of atopische
sensibilisatie. Maar kinderen die multivitamines hadden
ingenomen voor de leeftijd van 4 jaar, waren later, op de
leeftijd van 8 jaar, minder vaak overgevoelig voor
voedselallergenen (odds ratio: 0,61; 95% BI: 0,39 - 0,97) en ook
was er een tendens tot een negatieve correlatie met allergische
rinitis. Er werd geen verband waargenomen met de consumptie van
multivitamines op de leeftijd van 5 jaar of later.
Januari 2010
Antioxidantia in de voeding zouden kunnen beschermen tegen
allergische sensibilisatie
(Patel S et al. Allergy. 2009 Dec; 64(12): 1766-72.)
De prevalentie van allergische aandoeningen is de laatste
decennia gestegen. De reden daarvan is niet duidelijk, maar
veranderingen van de levenswijze of de omgeving zouden een
essentiële rol kunnen spelen. Een van de mogelijke oorzaken is
een geringere inname van antioxidantia door een geringere
consumptie van vers fruit en groenten. Deze studie werd
uitgevoerd door middel van vragenlijsten en had tot doel te
zoeken naar ene verband tussen de inname van antioxidantia op de
leeftijd van 5 jaar en atopie op de leeftijd van 5 en 8 jaar in
een niet-geselecteerde geboortecohorte. De resultaten waren dat
een hogere consumptie van bètacaroteen op de leeftijd van 5 jaar
gepaard ging met een lager risico op allergische sensibilisatie
en een lager IgE-gehalte bij kinderen van 5 en 8 jaar.
December 2009
Bij allergie voor eieren zal een perorale provocatietest de
stress in het gezin verminderen
(Kemp AS et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Nov; 20(7):
648-53.)
Allergie voor eieren is een van de frequentste vormen van
voedselallergie en is sterk geassocieerd met atopische
dermatitis, eveneens een frequente aandoening. Op de leeftijd
van 2 jaar zou minstens 1 tot 2% van de kinderen allergisch zijn
voor eieren. De allergie kan spontaan verdwijnen net zoals de
meeste andere vormen van voedselallergie bij zuigelingen, maar
ondertussen is het toch maar een bron van stress voor de ouders,
die de levenskwaliteit van het kind en meer nog van het hele
gezin ondermijnt. Een Australische groep heeft aangetoond dat
een orale provocatietest met eieren een gunstig effect heeft op
de gemoedsgesteldheid van de ouders. De ouders van kinderen die
de test hebben ondergaan en dus weten hoe hun kind erop
reageert, blijken minder ongerust te zijn dan de ouders van
kinderen die de test niet hebben ondergaan, en ze hebben het ook
minder moeilijk om de preventieve maatregelen na te leven. De
test is niet steeds noodzakelijk om de diagnose te stellen, maar
heeft een psychologisch gunstig effect op het gezin.
November 2009
Veroorzaakt toevoeging van supplementen aan moedermelk
allergie voor koemelkproteïnen?
(Vlieghe V et al. Allergy. 2009 Nov ; 64: (11)1690-1.)
Recentelijk werden gevallen gepubliceerd van pasgeborenen die
borstvoeding kregen en toch een allergie voor koemelkproteïnen
ontwikkelden. Moedermelk dekt de voedingsbehoeften van
prematuren met een zeer laag geboortegewicht niet op lange
termijn. De moedermelk moet daarom worden aangevuld met
eiwitten, calorieën en mineralen. Sommige fabrikanten hebben
supplementen in poedervorm ontwikkeld, die verschillende
voedingsstoffen bevatten, en dat poeder kan gewoon aan de
moedermelk worden toegevoegd (1 tot 4 g/100 ml). Die
supplementen worden bereid uitgaande van (doorgaans
niet-gehydrolyseerde) koemelkproteïnen. Net zoals andere
kinderen kunnen prematuren allergisch worden voor
koemelkproteïnen. Allergie voor koemelkproteïnen komt even vaak
voor bij prematuren als bij normale kinderen. Het gebruik van
die supplementen kan dus ongetwijfeld allergie veroorzaken bij
premature kinderen net zoals bij voldragen kinderen.
Oktober 2009
Aanbevelingen voor griepvaccinatie van kinderen die allergisch
zijn voor eieren
(Erlewyn-Lajeunesse M et al. BMJ. 2009 Sep ; 339: b3680. doi:
10.1136/bmj.b3680.)
2,6% van de kinderen jonger dan drie jaar is allergisch voor
eieren. Inenting met vaccins op basis van eieren is dan ook een
relatieve contra-indicatie in die groep (voorzorgsmaatregelen
bij het voorschrijven). In dit overzichtsartikel wordt het
beleid beschreven bij kinderen die allergisch zijn voor eieren.
Het geeft vijf aanbevelingen.
-
Griepvaccins die gemaakt zijn op een cultuur van
zoogdiercellen en niet op eieren, moeten de voorkeur
krijgen bij kinderen die allergisch zijn voor
eieren.
- Als er
geen vaccin zonder ei te verkrijgen is, mogen enkel
vaccins waarvan het gehalte aan ei niet hoger is dan
1,2 µg/ml, worden gebruikt bij kinderen die
allergisch zijn voor eieren.
-
Toediening van een vaccin gemaakt op basis van
eieren aan een allergische patiënt mag enkel
gebeuren in een centrum dat ervaring heeft met de
behandeling van anafylaxie.
- Bij
kinderen die weinig allergisch zijn of bij wie de
allergie weinig ernstig is, wordt een enkele dosis
aanbevolen.
- Een
schema bestaande uit twee aparte doses is
geïndiceerd bij patiënten die een anafylactische
reactie op eieren zouden kunnen ontwikkelen, en bij
patiënten met een matig of slecht gecontroleerd
astma.
|
Informatie uit de bijsluiter van Mexicaanse griep vaccin: NIET
GEBRUIKEN BIJ ALLERGIEU dient Pandemrix niet
toegediend te krijgen :
- als u in
het verleden een plotselinge levensbedreigende
allergische (overgevoeligheids) reactie heeft gehad
op een van de bestanddelen van Pandemrix (deze zijn
vermeld aan het eind van deze bijsluiter in rubriek
6)
- of op een
van de stoffen die mogelijk in heel kleine
hoeveelheden achter zijn gebleven, te weten ei en
kippeneiwit, ovalbumine, formaldehyde,
gentamicinesulfaat (een antibioticum) of
natriumdeoxycholaat.
-
Verschijnselen van een allergische (overgevoeligheids)
reactie kunnen bijvoorbeeld bestaan uit jeukende
huiduitslag, kortademigheid en opzwellen van het
gezicht of de tong
|
Als u niet zeker weet of u allergisch bent,
raadpleeg dan uw arts of apotheker.
Wees extra voorzichtig met Pandemrix:
- als u een andere allergische
reactie heeft gehad dan een plotselinge
levensbedreigende allergische (overgevoeligheids)reactie
op een van de bestanddelen van het vaccin, of op 3
thiomersal, eieren,
kippeneiwit, ovalbumine,
formaldehyde, gentamycinesulfaat
(een antibioticum) of
natriumdeoxycholaat (zie rubriek 6).
- als u een ernstige infectie
met verhoging heeft (meer dan 38°C). Als dit
bij u het geval is, zal de vaccinatie gewoonlijk
worden uitgesteld totdat u zich beter voelt. Een
lichte infectie, zoals een verkoudheid, zou geen
probleem mogen zijn maar uw arts zal u adviseren of
u met Pandemrix gevaccineerd kunt worden
- als u een bloedonderzoek krijgt
om te onderzoeken of u een infectie met bepaalde
virussen heeft. De eerste paar weken na vaccinatie
met Pandemrix kunnen de resultaten van deze testen
verstoord zijn. Vertel de arts die deze testen
aanvraagt dat u onlangs Pandemrix heeft gekregen
|
Wanneer één van bovenstaande gevallen op u van
toepassing is, VERTEL DIT AAN UW ARTS OF VERPLEEGKUNDIGE, omdat
vaccinatie mogelijk niet wordt aanbevolen of omdat vaccinatie
uitgesteld moet worden. Vertel uw arts of verpleegkundige indien
u een bloedingsziekte heeft of snel blauwe plekken krijgt.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals alle geneesmiddelen kan Pandemrix bijwerkingen
veroorzaken, hoewel niet iedereen deze bijwerkingen krijgt.
Na vaccinatie kunnen allergische (overgevoeligheids)reacties
optreden, die in uitzonderlijke gevallen zelfs kunnen
resulteren in shock. Artsen zijn hiermee bekend en
hebben in voorkomende gevallen een spoedbehandeling beschikbaar.
Bij klinische studies met een gelijksoortig vaccin waren de
meeste bijwerkingen mild van aard en kortdurend. De bijwerkingen
zijn doorgaans vergelijkbaar met die van het seizoensgebonden
griepvaccin. De bijwerkingen die hieronder worden vermeld zijn
omschreven volgens de volgende afspraken:
Zeer vaak (komt voor bij meer dan 1 op de 10 mensen)
Vaak (komt voor bij 1 tot 10 op 100 mensen)
Soms (komt voor bij 1 tot 10 op de 1.000 mensen)
Zelden (komt voor bij 1 tot 10 op de 10.000 mensen)
Zeer zelden (komt voor bij minder dan 1 op de 10.000 mensen)
De hieronder vermelde bijwerkingen zijn opgetreden met Pandemrix
tijdens klinische studies bij volwassenen, met inbegrip van
ouderen, en bij kinderen in de leeftijd van 3 tot 9 jaar:
Zeer vaak
• hoofdpijn
• vermoeidheid
• pijn, roodheid, zwelling of verharding op de injectieplaats
• koorts
• pijn in spieren of gewrichten
Vaak
• warm gevoel, jeuk of blauwe plek op de injectieplaats
• meer zweten, rillingen, griepachtige verschijnselen
• gezwollen klieren in de hals, oksels of liesstreek
Soms
• tinteling of gevoelloosheid in handen of voeten
• slaperigheid
• duizeligheid
• diarree, braken, buikpijn, gevoel van misselijkheid
• jeuk, huiduitslag
• algeheel gevoel van niet lekker zijn
• slapeloosheid
Bij kinderen in de leeftijd van 3 tot 9 jaar kwam koorts
vaker voor wanneer de volwassenendosering (0,5 ml van het
vaccine) was toegediend dan wanneer de halve dosering (0,25 ml
van het vaccin) was toegediend. Bovendien kwam koorts vaker voor
bij kinderen in de leeftijd van 6 tot 9 jaar dan bij kinderen
van 3 tot 5 jaar. Deze bijwerkingen verdwijnen meestal zonder
behandeling binnen 1 à 2 dagen. Indien deze bijwerkingen
aanhouden, WAARSCHUW DAN UW ARTS.
De bijwerkingen zoals hieronder vermeld, kunnen
optreden in de dagen of weken na vaccinatie met vaccins
die ieder jaar worden gegeven ter preventie van de griep.
Deze bijwerkingen kunnen optreden bij het gebruik van Pandemrix.
Soms
• gegeneraliseerde huidreacties met inbegrip van bultjes
(urticaria)
Zelden
• allergische (overgevoeligheids) reacties, resulterend in
een gevaarlijke bloeddrukverlaging, die, indien
onbehandeld, kan leiden tot shock. Artsen zijn hiermee bekend en
hebben in voorkomende gevallen een spoedbehandeling beschikbaar
• toevallen
• ernstige stekende of kloppende pijn in een of meerdere zenuwen
• lage bloedplaatjestelling die kan leiden tot bloedingen of
blauwe plekken
Zeer zelden
• vaatontstekingen (ontstekingen van bloedvaten die huiduitslag,
gewrichtspijn en nierproblemen kunnen veroorzaken)
• zenuwstelselafwijkingen, zoals encefalomyelitis (een
ontsteking van het centrale zenuwstelsel), ontsteking van
zenuwen en een vorm van verlamming beter bekend als het syndroom
van Guillan- Barré.
Indien een van deze bijwerkingen optreedt, vertel dit dan
onmiddellijk uw artS.
MELDEN VAN BIJWERKINGEN:
LAREB.NL
Oktober 2009
Risico op anafylactische shock bij kinderen die allergisch
zijn voor zeevruchten
(Kandyil RM et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Aug ;
20(5): 408-14 ; quiz 414.)
Negentig percent van de gevallen van voedselallergie bij
kinderen is toe te schrijven aan slechts 8 voedingsmiddelen :
koemelk, eieren, soja, pindanootjes, noten, tarwe, vis en
zeevruchten. De voedselallergie verdwijnt meestal met de
leeftijd. Dat is echter niet zo bij allergie voor schaalvruchten
of zeevruchten; die laatste allergie kan aanhouden op volwassen
leeftijd. Drie observaties illustreren de variabiliteit van de
klinische verschijnselen van die allergie. De symptomen gaan van
matige urticaria tot anafylactische shock, zelfs bij een geringe
inname. Allergie voor zeevruchten gaat vaak gepaard met allergie
voor huismijt, huisstof en kakkerlakken. Er zijn geen
diagnostische waarden wat de serumconcentratie van specifieke
immunoglobulines E betreft. Ter herinnering, allergie voor
zeevruchten is een belangrijke oorzaak van anafylactische shock
bij kinderen.
Oktober 2009
Neonatale allergie op koemelk: een Japanse reeks
(Miyazawa T et al. Pediatr Int. 2009 Aug ; 51(4): 544-7.)
Deze Japanse multicentrische studie werd uitgevoerd bij 69 796
pasgeborenen die waren opgenomen in 145 ziekenhuizen. De
incidentie van koemelkallergie bij de pasgeborenen op eenheden
voor neonatologie bedroeg 0,21% (0,35% in geval van
geboortegewicht lager dan 1000 g). De frequentste symptomen
waren bloed in de stoelgang (38,6% van de gerapporteerde
gevallen), diarree (31%) en braken (11,7%). De auteurs
benadrukken dat de huidige tests misschien niet volstaan om late
niet door IgE gemedieerde allergische reacties te diagnosticeren
bij zuigelingen.
Oktober 2009
Borstvoeding zou beschermen tegen de ontwikkeling van
inflammatoire darmaandoeningen
(Barclay AR et al. J Pediatr. 2009 Sep ; 155(3): 421-6.)
Er werd een systematische review uitgevoerd van de klinische
studies die werden gepubliceerd tussen januari 1966 en januari
2008, om het effect van borstvoeding te onderzoeken op de
ontwikkeling van inflammatoire darmaandoeningen bij kinderen
jonger dan 16 jaar. In het totaal werden er 79 artikels
gevonden. In 20 artikels werd het verband beschreven tussen
borstvoeding en de ontwikkeling van een inflammatoire
darmaandoening. Borstvoeding beschermt significant (odds ratio,
OR 0,69; p = 0,02) tegen de ontwikkeling van inflammatoire
darmaandoeningen op zeer jonge leeftijd. Er werd een
niet-significant verschil waargenomen tussen de ziekte van Crohn
(OR 0,72; p = 0,06) en colitis ulcerosa (OR 0,64; p = 0,09).
Maar de kwaliteit van de gegevens is verre van optimaal en er
zijn geen goede prospectieve studies.
Oktober 2009
Borstvoeding beperkt de gewichtstoename de eerste drie jaar
na de geboorte
(Griffiths LJ et al. Arch Dis Child. 2009 Aug ; 94(8):
577-82.)
Wat is het verband tussen de eerste voeding van het kind en de
latere gewichtstoename tot de leeftijd van drie jaar? In een
prospectieve, representatieve, nationale studie die werd
uitgevoerd in Engeland, Wales, Schotland en Noord-Ierland, werd
aangetoond dat borstvoeding een significante invloed heeft op de
gewichtstoename de eerste drie jaar na de geboorte. Kinderen die
geen borstvoeding kregen, kwamen sneller aan dan kinderen die
borstvoeding kregen. Er was zelfs een verschil in gewicht tussen
de kinderen die minder dan vier maanden borstvoeding kregen, en
de kinderen die minstens vier maanden borstvoeding kregen.
Vroege toediening van vast voedsel had geen invloed op de
gewichtstoename na drie jaar na correctie voor de
lichaamslengte. Borstvoeding zou dus een te sterke
gewichtstoename de eerste levensjaren kunnen tegengaan.
Oktober 2009
Probiotica bij het spenen verlagen de incidentie van eczeem
(West CE et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Aug ; 20(5):
430-7.)
Er werd al veel onderzoek uitgevoerd met probiotica bij de
preventie van allergie en meer bepaald van eczeem. In deze
studie werd het effect onderzocht van een lactobacil op de
incidentie van eczeem en het immunologische evenwicht tussen Th1
en Th2 tijdens het spenen. In deze dubbelblinde,
placebogecontroleerde studie kregen de kinderen tijdens het
spenen graangewassen ofwel graangewassen aangevuld met
Lactobacillus F19 van de leeftijd van 4 tot 13 maanden. De
cumulatieve incidentie van eczeem was 11% in de groep
graangewassen + probioticum en 22% in de groep die alleen
graangewassen had gekregen (p < 0,005). Op de leeftijd van 3
maanden was de verhouding tussen het mRNA van IFN-? en dat van
IL4 hoger in de groep die het probioticum had gekregen, dan in
de placebogroep. Dat wijst erop dat het gunstige klinische
effect zich ook uit in de immunologische balans tussen Th1 en
Th2.
September 2009
Sterke toename van allergie bij schoolgaande kinderen tussen
1996 en 2006 in het noorden van Zweden
(Rönmark E et al. J Allergy Clin Immunol. Aug ; 124(2): 357-63,
63.e1-15.)
Wat is de huidige tendens wat allergie betreft? Twee groepen
jongeren van 18 jaar werden vergeleken met een interval van 10
jaar in het noorden van Zweden: een groep in 1996 en een andere
in 2006. De prevalentie van positieve huidtests was gestegen van
21% in 1996 tot 30% in 2006. Het type allergie was hetzelfde
gebleven. Allergie voor katten was de frequentste allergie.
Familiale antecedenten van allergie waren een significante
risicofactor. In die periode werd echter geen significante
stijging van de prevalentie van wheezing, rinitis en eczema
waargenomen, hoewel die bij kleine kinderen sterk correleren met
voedselallergie.
September 2009
Identificatie van nieuwe allergeen in melk met een nieuwe
techniek voor opsporing van voedselallergenen, de peptide
microarray
(Lin J et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Aug ; 124(2): 315-22,
322.e1-3.)
De peptide microarray is een nieuwe techniek waarmee
gemakkelijker peptiden die allergie veroorzaken, (epitopen)
kunnen worden opgespoord in een kleine hoeveelheid bloed. De
studie werd uitgevoerd bij kinderen met voedselallergie. De
epitopen die met de peptide microarray werden geïdentificeerd,
strookten volledig met wat werd beschreven met membrane spot
technieken. Maar met de peptide microarray konden nog andere
epitopen van allergenen in melk in het licht worden gesteld. De
gegevens zijn reproduceerbaar en bevestigen dat de binding
specifiek is. De techniek werd uitgewerkt uitgaande van
melkeiwitten, maar kan uiteraard ook worden toegepast op andere
allergenen.
September 2009
In een Amerikaanse studie werd het effect onderzocht van
inductie van orale tolerantie bij patiënten die allergisch waren
voor pindanootjes
(Jones SM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Aug ; 124(2):
292-300, 300.e1-97.)
Tolerantie voor pindanootjes kan worden geïnduceerd met bepaalde
technieken waarbij een stijgende hoeveelheid pindanootjes per os
wordt toegediend. In een eerste studie beschrijft de groep van
W. Burks de veiligheid van de methode. In een tweede studie
wordt de doeltreffendheid van de techniek besproken. Daarin
wordt aangetoond dat 27 van de 29 patiënten die het protocol
hadden voltooid, op het einde van de procedure 3,9 g eiwit kon
verdragen tijdens een provocatietest. De meeste symptomen die
werden waargenomen tijdens de provocatietest, verdwenen spontaan
of konden worden behandeld met een antihistaminicum. Na 6
maanden waren de huidtests en de tests van activering van
basofielen significant verminderd. Het gehalte aan specifieke
IgE daalde na 12 tot 18 maanden, terwijl het IgG4-gehalte steeg.
Volgens cellulaire studies wekt die immunotherapie apoptose op.
September 2009
Voedselallergie : een strikt restrictiedieet is niet de enige
mogelijke respons
(Allen CW et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Aug ; 20(5):
415-22.)
De behandeling van voedselallergie bestaat uit het vermijden van
het oorzakelijke allergeen om immunologische reacties te
voorkomen of alleszins de kans erop te verkleinen. Daarom wordt
een restrictiedieet aangeraden om het risico op sensibilisatie
bij pasgeborenen te verlagen en om het optreden van klinische
reacties bij kinderen met een bewezen immunologische
reactiviteit te voorkomen. Maar uit dierexperimenteel onderzoek
en ook uit observaties bij de mens is gebleken dat tolerantie
voor allergenen kan worden opgewekt door toediening een min of
meer grote hoeveelheid voedselallergenen. Een van de
discussiepunten bij de behandeling van voedselallergie is dan
ook: een strikt vermijden van het allergeen of omgekeerd
progressieve toediening
September 2009
Borstvoeding vermindert overgewicht en vertraagt de
gewichtstoename
(Rzehak A et al. Eur J Epidemiol. 2009 ; 24(8) : 449-67.)
Er werd een nieuwe epidemiologische analyse verricht van de
geboortecohorten GINI + en LISA +, die meer dan 7000 voldragen
pasgeborenen volgen in vier Duitse centra. Het verschil in
snelheid van gewichtstoename tussen de kinderen die borstvoeding
kregen en de andere bedroeg - 18 g/maand de eerste 3
levensmaanden, - 93 g/maand van de 4e tot de 6e levensmaand en -
14 g/maand van de 7e tot de 12e maand en - 3 g per maand na de
24e maand. Er was geen verschil in groeisnelheid tussen de
kinderen die borstvoeding kregen, en de kinderen die geen
borstvoeding kregen. Kortom, de lengtegroei bij de kinderen die
borstvoeding kregen, was vergelijkbaar met die bij de kinderen
die flesvoeding kregen, maar de kinderen die borstvoeding
kregen, kwamen minder bij in gewicht en dat hing samen met een
minder snelle gewichtstoename, vooral tijdens de eerste 6
levensmaanden.
September 2009
Een systematische review van probiotica bij de behandeling van
eczeem (Cochranemeta-analyse)
(Boyle RJ et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 395(8): 1117-27.)
Eczeem wordt vaak behandeld met probiotica, maar hun
doeltreffendheid is nog niet heel duidelijk. Er werd een
Cochraneanalyse uitgevoerd van 12 studies die voldeden aan de
selectiecriteria. Bij een meta-analyse van 5 van die studies
werd geen significante vermindering van de symptomen van het
eczeem waargenomen bij behandeling met probiotica in
vergelijking met de placebo. Bij een meta-analyse van 7 studies
werd evenmin een significante vermindering van de ernst van het
eczeem volgens de onderzoeker waargenomen met probiotica in
vergelijking met de placebo. Bij analyse van subgroepen
naargelang van de ernst van het eczeem of aanwezigheid van
atopie werd geen specifieke populatie gevonden waarin een
behandeling met probiotica doeltreffend zou zijn. De studies
waren echter zeer heterogeen. Op grond van onze huidige kennis
kunnen probiotica niet worden aanbevolen bij de behandeling van
eczeem.
September 2009
Met een test van activering van basofielen bij
voedselallergie zou de klinische reactiviteit op voedsel kunnen
worden voorspeld
(Ocmant A et al. Clin Exp Allergy 2009 Aug ; 39(8): 1234-1245.)
Bij patiënten met voedselallergie kunnen huidtests en dosering
van specifieke IgE wijzen op een sensibilisatie, maar met die
tests kunnen patiënten die klinisch reageren, niet worden
onderscheiden van mensen die overgevoelig zijn, maar het
voedingsmiddel toch verdragen. Deze vorsers hebben de test van
activering van basofielen uitgevoerd bij patiënten die
overgevoelig waren voor pindanootjes. Na toediening van
pindanootjes in vitro werden de basofielen van kinderen die
allergisch waren voor pindanootjes, sterker geactiveerd dan die
van de controlekinderen. Soortgelijke resultaten werden
verkregen bij allergie voor eieren. Interessant is dat bij de
meeste kinderen die enkel overgevoelig waren, maar geen
klinische reacties vertoonden op pindanootjes of eieren, de
basofielen niet werden geactiveerd in aanwezigheid van
pindanootjes of ovalbumine. De test van activering van
basofielen blijkt dus een zekere voorspellende waarde te hebben
wat de klinische reactie op het voedingsmiddel betreft bij een
provocatietest.
September 2009
Het resultaat van een provocatietest met eieren voorspellen met
een huidtest
(Tripodi S et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 39(8): 1225-33.)
Een perorale provocatietest blijft de gouden standaard bij
voedselallergie, de enige waarmee de reactiviteit van de patiënt
echt kan worden geëvalueerd. Maar die test is tijdrovend. Een
techniek om een positieve provocatietest te voorspellen, zou dus
zeer welkom zijn. Huidtests kunnen worden uitgevoerd met een
"getitreerd" systeem, waarbij de concentratie geleidelijk wordt
verdund tot er uiteindelijk geen papel meer verschijnt. In een
retrospectieve studie werd aangetoond dat de techniek van
huidtests met progressieve dilutie van het extract een goede
discriminerende waarde heeft en zeer correct voorspelt of de
orale provocatietest positief of negatief zal zijn. De ideale
verdunning is 1/256, wat overeenstemt met een concentratie van
5,9 microg/ml voor ovotransferrine, 22,2 microg/ml voor
ovalbumine en 1,4 microg/ml lysozym.
September 2009
Borstvoeding vermindert overgewicht en vertraagt de
gewichtstoename
(Rzehak A et al. Eur J Epidemiol. 2009 ; 24(8) : 449-67.)
Er werd een nieuwe epidemiologische analyse verricht van de
geboortecohorten GINI + en LISA +, die meer dan 7000 voldragen
pasgeborenen volgen in vier Duitse centra. Het verschil in
snelheid van gewichtstoename tussen de kinderen die borstvoeding
kregen en de andere bedroeg - 18 g/maand de eerste 3
levensmaanden, - 93 g/maand van de 4e tot de 6e levensmaand en -
14 g/maand van de 7e tot de 12e maand en - 3 g per maand na de
24e maand. Er was geen verschil in groeisnelheid tussen de
kinderen die borstvoeding kregen, en de kinderen die geen
borstvoeding kregen. Kortom, de lengtegroei bij de kinderen die
borstvoeding kregen, was vergelijkbaar met die bij de kinderen
die flesvoeding kregen, maar de kinderen die borstvoeding
kregen, kwamen minder bij in gewicht en dat hing samen met een
minder snelle gewichtstoename, vooral tijdens de eerste 6
levensmaanden.
September 2009
Een systematische review van probiotica bij de behandeling
van eczeem (Cochranemeta-analyse)
(Boyle RJ et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 395(8): 1117-27.)
Eczeem wordt vaak behandeld met probiotica, maar hun
doeltreffendheid is nog niet heel duidelijk. Er werd een
Cochraneanalyse uitgevoerd van 12 studies die voldeden aan de
selectiecriteria. Bij een meta-analyse van 5 van die studies
werd geen significante vermindering van de symptomen van het
eczeem waargenomen bij behandeling met probiotica in
vergelijking met de placebo. Bij een meta-analyse van 7 studies
werd evenmin een significante vermindering van de ernst van het
eczeem volgens de onderzoeker waargenomen met probiotica in
vergelijking met de placebo. Bij analyse van subgroepen
naargelang van de ernst van het eczeem of aanwezigheid van
atopie werd geen specifieke populatie gevonden waarin een
behandeling met probiotica doeltreffend zou zijn. De studies
waren echter zeer heterogeen. Op grond van onze huidige kennis
kunnen probiotica niet worden aanbevolen bij de behandeling van
eczeem.
September 2009
Met een test van activering van basofielen bij voedselallergie
zou de klinische reactiviteit op voedsel kunnen worden voorspeld
(Ocmant A et al. Clin Exp Allergy 2009 Aug ; 39(8): 1234-1245.)
Bij patiënten met voedselallergie kunnen huidtests en dosering
van specifieke IgE wijzen op een sensibilisatie, maar met die
tests kunnen patiënten die klinisch reageren, niet worden
onderscheiden van mensen die overgevoelig zijn, maar het
voedingsmiddel toch verdragen. Deze vorsers hebben de test van
activering van basofielen uitgevoerd bij patiënten die
overgevoelig waren voor pindanootjes. Na toediening van
pindanootjes in vitro werden de basofielen van kinderen die
allergisch waren voor pindanootjes, sterker geactiveerd dan die
van de controlekinderen. Soortgelijke resultaten werden
verkregen bij allergie voor eieren. Interessant is dat bij de
meeste kinderen die enkel overgevoelig waren, maar geen
klinische reacties vertoonden op pindanootjes of eieren, de
basofielen niet werden geactiveerd in aanwezigheid van
pindanootjes of ovalbumine. De test van activering van
basofielen blijkt dus een zekere voorspellende waarde te hebben
wat de klinische reactie op het voedingsmiddel betreft bij een
provocatietest.
September 2009
Het resultaat van een provocatietest met eieren voorspellen
met een huidtest
(Tripodi S et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 39(8): 1225-33.)
Een perorale provocatietest blijft de gouden standaard bij
voedselallergie, de enige waarmee de reactiviteit van de patiënt
echt kan worden geëvalueerd. Maar die test is tijdrovend. Een
techniek om een positieve provocatietest te voorspellen, zou dus
zeer welkom zijn. Huidtests kunnen worden uitgevoerd met een
"getitreerd" systeem, waarbij de concentratie geleidelijk wordt
verdund tot er uiteindelijk geen papel meer verschijnt. In een
retrospectieve studie werd aangetoond dat de techniek van
huidtests met progressieve dilutie van het extract een goede
discriminerende waarde heeft en zeer correct voorspelt of de
orale provocatietest positief of negatief zal zijn. De ideale
verdunning is 1/256, wat overeenstemt met een concentratie van
5,9 microg/ml voor ovotransferrine, 22,2 microg/ml voor
ovalbumine en 1,4 microg/ml lysozym.
Augustus 2009
Risicofactoren van astma bij kinderen van 6-7 jaar in
Nieuw-Zeeland: hebben eieren en melk een beschermend effect?
(Mitchell EA et al. J Paediatr Child Health. 2009 May 28. [Epub
ahead of print])
Er werd een studie uitgevoerd in meerdere steden in
Nieuw-Zeeland bij meer dan 10 000 kinderen van 6-7 jaar. Daarin
werd aangetoond dat 22,2% van de kinderen wheezing had vertoond
tijdens de vorige 12 maanden. Het gebruik van antibiotica en
paracetamol tijdens het eerste levensjaar verhoogde het risico
op wheezing. Ook inactiviteit (gedefinieerd als meer dan 5 uur
tv-kijken per dag) verhoogde het risico op wheezing. Maar de
consumptie van melk en eieren de vorige 12 maanden verlaagde het
risico. Het is niet duidelijk hoe de consumptie van eieren en
melk het risico op wheezing verlaagt.
Augustus 2009
Orale inductie van tolerantie in een kleine reeks van
ernstige allergie voor pindanootjes
(Clark AT et al. Allergy 2009 Aug ; 64(8): 1218-20.)
Allergie voor pindanootjes is een frequent, potentieel ernstig
probleem, dat vanaf een zekere leeftijd spontaan geneest. Deze
auteurs beschrijven de resultaten van orale inductie van
tolerantie bij vier kinderen. De provocatietests voor inductie
van tolerantie veroorzaakten een reactie op doses van 5 tot 50
mg pindanootjeseiwitten (1/40-1/4 pindanootjes). Tolerantie werd
opgewekt door dagelijkse toediening van pindanootjesmeel in een
dosering die geleidelijk werd verhoogd van 5 tot 800 mg
eiwitten. De dosering werd tweemaal per week verhoogd. De
getolereerde dosis werd na 6 weken opnieuw geëvalueerd. Er
diende geen enkele injectie van adrenaline te worden gegeven.
Alle kinderen hebben de progressieve verhoging van de dosering
verdragen tot 800 mg eiwit. Op het einde van de
tolerantie-inductie verdroegen alle kinderen een dosis van 10
pindanootjes.
Juli 2009
Voeding van de moeder, het type voeding, de timing van spenen
en de ontwikkeling van voedselallergie bij zuigelingen
(Venter C et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Jun ; 20(4):
320-7.)
De voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en de periode
van borstvoeding, de wijze van voeding van de baby en het spenen
zouden een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van
voedselallergie. Deze studie werd uitgevoerd bij vrouwen die 12
weken zwanger waren. Na 36 weken zwangerschap werd een
vragenlijst ingevuld. De kinderen werden geëvalueerd op de
leeftijd van 1, 2 en 3 jaar met een reeks voedselallergenen. De
voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en de duur van de
borstvoeding hadden geen invloed op de ontwikkeling van
voedselallergie, maar de leeftijd waarop de baby werd gespeend
(>/= 16 weken), had invloed op de ontwikkeling van
overgevoeligheid en voedselallergie op de leeftijd van 1 en 3
jaar. Maar de kinderen die bepaalde voedingsmiddelen niet hadden
gekregen voor de leeftijd van 3 tot 6 maanden, liepen minder
risico om overgevoelig te worden of voedselallergie te
ontwikkelen. Interessant is dat moeders met familiale
antecedenten van allergie vaker louter borstvoeding gaven op de
leeftijd van 3 maanden en hun kinderen geen pindanootjes gaven
op de leeftijd van 6 maanden.Juli 2009
Voedselallergie en overgevoeligheid voor voedingsmiddelen
tijdens de eerste kinderjaren: de DARC-cohorte
(Eller E et al. Allergy. 2009 Feb 12. [Epub ahead of print])
In de DARC-studie (Danish Allergy Research Centre) werden 562
kinderen vanaf de geboorte gevolgd. 20 kinderen hebben een
bewezen allergie voor melk, eieren en pindanootjes ontwikkeld.
De frequentie van allergie was maximaal op de leeftijd van 18
maanden (3,6%) en daalde dan tot 1,2% op de leeftijd van 72
maanden. Na 3 maanden werd geen enkel nieuw geval meer
waargenomen. Het aantal gevallen van allergie dat door de
familie werd gemeld, was 3-maal hoger dan het medisch bewezen
aantal gevallen. 14,8% van de kinderen met atopische dermatitis
vertoonde een voedselallergie.
Juli 2009
Hangt de wens tot borstvoeding af van het scholingsniveau van
de vrouw?
(van Rossem L et al. Pediatrics. 2009 Jun ; 123(6): e1017-27.)
Waarom start een vrouw borstvoeding en zet ze die voldoende lang
voort ? Welke rol spelen de sociaal-demografische omgeving, de
levenswijze, psychosociale factoren en de kenmerken van de
geboorte? In een prospectieve studie van een Nederlandse
geboortecohorte werd aangetoond dat 95% van de hoogst geschoolde
vrouwen borstvoeding startte. Bij minder geschoolde vrouwen was
dat maar 73,1%. Na 6 maanden gaven 39,3% van de vrouwen met het
hoogste opleidingsniveau en 15,2% van de vrouwen met het laagste
scholingsniveau nog steeds borstvoeding. Verschillen in
opleiding blijken vooral een rol te spelen bij het opstarten en
het voortzetten van de borstvoeding tot 2 maanden, maar niet bij
het voortzetten van borstvoeding tussen 2 en 6 maanden. De
beslissing om borstvoeding te geven hangt dus in sterke mate af
van verschillen in scholingsniveau.
Juni 2009
Behandeling van voedselallergie op school: de plaats van
allergologen
(Young MC et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Jun 1. [Epub ahead
of print])
Volgens een epidemiologische studie neemt voedselallergie toe
bij kinderen van schoolgaande leeftijd en zou de prevalentie nu
ongeveer een op de 25 kinderen bedragen. Voedselallergie is een
belangrijke uitdaging voor de school. De school moet zorgen voor
preventie (eliminatie van allergenen) en de leerkrachten moeten
leren hoe ze een anafylactische reactie kunnen herkennen en
behandelen. In tal van studies is aangetoond dat er daar
onvoldoende werk van wordt gemaakt. Er werden wel al enkele
richtlijnen gepubliceerd. De allergoloog speelt een sleutelrol:
hij kan de gezinnen, de school, de administratie en de wetgever
bijstaan bij de ontwikkeling van richtlijnen die de veiligheid
van kinderen met voedselallergie verhogen.
Juni 2009
Orale immunotherapie bij kinderen die allergisch zijn voor
pindanootjes: een onderzoek naar de veiligheid van de techniek
(Hofmann AM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 May 26. [Epub
ahead of print])
Orale immunotherapie is een veelbelovende behandeling bij
voedselallergie en wordt nu ook uitgeprobeerd bij allergie voor
pindanootjes. Bij orale immunotherapie worden stijgende
hoeveelheden pindanootjes per os toegediend, wat dus ernstige
reacties zou kunnen uitlokken. Deze auteurs hebben de
bijwerkingen van een dergelijke behandeling onderzocht bij 28
patiënten. Op de eerste dag van toediening van de doses in het
ziekenhuis vertoonde 79% van de kinderen respiratoire symptomen
en 68% abdominale symptomen. 18% van de kinderen ontwikkelde
wheezing. Tijdens de tweede fase thuis, de consolideringsfase,
tijdens dewelke de kinderen progressief stijgende doses kregen,
vertoonde 46% van de kinderen symptomen: 29% vertoonde symptomen
van de bovenste luchtwegen en 24% huidverschijnselen. Tijdens de
onderhoudsfase, tijdens dewelke de kinderen 300 mg
pinda-eiwitten per dag innamen, bedroeg het risico op reacties
3,5%. 2 van de 28 kinderen moesten met adrenaline worden
behandeld.
Juni 2009
Vrij snel gunstige evolutie van een enterocolitis veroorzaakt
door koemelk- of sojaproteïnen
(Hwang JB et al. Arch Dis Child. 2009 Jun ; 94(6): 425-8.)
Enterocolitis als gevolg van eiwitten in de voeding is een acuut
syndroom dat optreedt bij kleine kinderen enkele uren na inname
van bepaalde voedingsmiddelen zoals melk en soja. Een Koreaanse
groep heeft 23 patiënten met een dergelijk syndroom gevolgd met
herhaalde orale provocatietests om na te gaan op welke leeftijd
ze tolerant werden voor die voedingsmiddelen. Op de leeftijd van
6 maanden verdroeg 27,3% van de kinderen melk en 75% soja. Op de
leeftijd van 8 maanden was dat respectievelijk 41,7% en 90,9% en
op de leeftijd van 10 maanden 63,6% en 91,7%. Het syndroom bleek
te verdwijnen na 20 maanden in geval van melkintolerantie en na
14 maanden in geval van soja-intolerantie. In dat klinische
kader van voedselallergie zijn vrij vroege provocatietests
geïndiceerd om te voorkomen dat het kind gedurende vele jaren
onnodig een dieet zou moeten volgen.
Juni 2009
Gestrengheid bij de diagnostiek van voedselallergie bij kinderen
(Du Toit G. Pediatr Allergy Immunol. 2009 May ; 26;20:309-19.)
Britse en Australische auteurs bespreken de diagnostiek van door
IgE gemedieerde voedselallergie bij kinderen. De prevalentie van
voedselallergie tijdens het eerste levensjaar bedraagt 2,2 tot
5,5%. Het betreft allergie voor koemelk, eieren, tarwe, soja,
pindanootjes, schaalvruchten, sesam en kiwi. Koemelk, eieren en
tarwe zijn de frequentste verwekkers van voedselallergie bij de
jongste kinderen. De auteurs onderstrepen het belang van een
goede diagnostiek. De diagnose moet worden gesteld op grond van
de voorgeschiedenis, huidtests en/of een dosering van specifieke
serum-IgE. Voedselprovocatietests zijn essentieel. Diagnostische
cut-offwaarden voor priktests en het specifieke IgE-gehalte
hebben de diagnose van voedselallergie verbeterd zodat minder
vaak moet worden overgegaan tot een orale provocatietest.
Juni 2009
Evaluatie van de levenskwaliteit in gezinnen met een allergisch
kind: een Chinese studie
(Leung TF et al. Clin Exp Allergy 2009 Feb 16. [Epub ahead
of print])
De levenskwaliteit in gezinnen met allergische kinderen werd
ruimschoots geëvalueerd bij blanken. Allergie steekt nu ook meer
en meer de kop op in China. Daarom hebben auteurs uit Hong-Kong
de levenskwaliteit onderzocht bij gezinnen van allergische
kinderen. Ze hebben daarvoor een vragenlijst gebruikt, de
Chinese Food Allergy Quality of Life-Parental Burden. Daarbij is
inderdaad gebleken dat de levenskwaliteit verslechtert in die
gezinnen, vooral als het kind voedselallergie vertoont. De
factoren die het best correleerden met een verslechtering van de
levenskwaliteit, waren het bestaan van een allergie voor meer
dan drie voedingsmiddelen, de noodzaak tot voortzetting van het
dieet, allergische reacties op pindanootjes, eieren en melk en
het bestaan van een atopische dermatitis van de plooien.
Juni 2009
Inname van vitamine D tijdens de zwangerschap zou het kind
beschermen tegen astma en allergische rinitis
(Erkkola M et al. Clin Exp Allergy. 2009 May ; 11 ; 39:875-82.)
Vitamine D stimuleert niet alleen de calciumabsorptie, maar
speelt ook een rol bij tal van processen, waaronder de regeling
van het immuunsysteem en preventie van allergie. Bij kinderen
van een geboortecohorte werd door middel van vragenlijsten
gezocht naar astma, allergische rinitis en atopisch eczeem op de
leeftijd van 5 jaar. Er werden ook vragen gesteld over de
voeding van de moeder tijdens de zwangerschap. De vitamine
D-inname uit voedsel was gemiddeld 5,1 microg en uit vitamine
D-supplementen 1,1 microg. Slechts 32% van de vrouwen nam
vitamine D-supplementen in. Inname van vitamine D via de voeding
tijdens de zwangerschap verlaagde het risico op astma (0,80) en
allergische rinitis (0,85) bij kinderen van vijf jaar. Vitamine
D-supplementen daarentegen hadden geen invloed op dat risico. De
vitamine D die de moeder via de voeding tijdens de zwangerschap
inneemt, blijkt astma en allergische rinitis bij het kind het
best tegen te gaan.
Juni 2009
Controverse over de rol van probiotica bij de primaire
preventie van atopische dermatitis
(Salfeld P et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 May 7. [Epub
ahead of print])
In een recente meta-analyse hebben Lee et al. vastgesteld dat
pre- en postnatale inname van probiotica "een doeltreffende
optie is voor zwangere vrouwen om atopische dermatitis bij hun
kinderen te voorkomen". Andere auteurs betwisten dat ten dele.
Ze stellen dat drie van de zes studies van de meta-analyse in
feite successieve analyses van dezelfde studiepopulatie zijn en
ze betwisten de inclusie in de meta-analyse van een studie
waarin vier stammen van probiotica en een prebioticum werden
gebruikt zodat het uiteindelijk onmogelijk was na te gaan welk
bestanddeel doeltreffend is geweest. Ze vinden voorts ook dat in
de meta-analyse onvoldoende rekening werd gehouden met de
negatieve studies. Kortom, de controverse weerspiegelt goed de
huidige discussie over de aard en de intensiteit van het
preventieve effect dat kan worden verwacht bij gebruik van
probiotica en prebiotica.
Juni 2009
Een vroege voeding met koemelkproteïnen verhoogt het risico
op type 1-diabetes niet
(Savilahti E. et al. Eur J Nutr. 2009 Mar 5. DOI:
10.1007/s00394-009-0008-z.)
Een vroege voeding en meer bepaald flesvoeding op basis van
koemelk tijdens de eerste kinderjaren zou een rol kunnen spelen
bij het ontstaan van type 1-diabetes. Een Finse groep heeft de
gegevens gebruikt van een studie die werd gestart in 1994 bij
gezonde zuigelingen om het effect van de voeding op de
ontwikkeling van allergie voor melk te evalueren. De kinderen
die in de kraamkliniek flesvoeding op basis van koemelk hadden
gekregen, vertoonden minder vaak type 1-diabetes op de leeftijd
van 8 jaar dan kinderen die toen niet werden blootgesteld aan
koemelkproteïnen. Maar op het einde van de follow-up, op de
leeftijd van 11,5 jaar, was het verschil verdwenen. Er was geen
verschil in de duur van borstvoeding en de introductie van
graangewassen of ander vast voedsel tussen de kinderen die type
1-diabetes hadden ontwikkeld, en de kinderen die gezond waren
gebleven. Vroege en regelmatige dagelijkse toediening van
flesvoeding op basis van koemelk daarentegen ging eerder gepaard
met een lager risico op type 1-diabetes. Volgens die studie
verhoogt koemelk het risico op type 1-diabetes niet en zou
koemelk het optreden van type 1-diabetes voor de leeftijd van 8
jaar zelfs kunnen tegengaan.
Juni 2009
Impact van een geboorte via keizersnede en het type voeding
op voedselallergie bij zuigelingen
(Sánchez-Valverde F. et al. Allergy 2009 Jun;64(6):884-9)
De laatste tien jaar is de frequentie van door IgE gemedieerde
allergie voor koemelkproteïnen toegenomen. Meerdere genetische
en omgevingsfactoren kunnen daarbij een rol spelen. In een
cohortestudie uitgevoerd in Pamplone (Spanje) werden patiënten
met een door IgE gemedieerde allergie voor koemelkproteïnen
vergeleken met patiënten met een niet door IgE gemedieerde
allergie. Door IgE gemedieerde allergie voor koemelkproteïnen
correleerde met een geboorte via keizersnede (odds ratio
2,14), meer dan twee maanden borstvoeding (OR 4,14) en
extra flesvoeding tijdens borstvoeding (OR 2,86). Een
geboorte via keizersnede en overmatig gebruik van hydrolysaten
bleken ook de allergische "mars" te verergeren.
Juni 2009
Omega 3 en omega 6 bij de primaire preventie van allergie:
een systematische review met negatieve uitkomsten
(Anandan C. et al. Allergy 2009 Apr 7;64:840-8.)
Moeten we ja dan neen omega 3- of omega 6-vetzuren voorschrijven
om allergische ziekten te voorkomen? Er werd al veel onderzoek
daaromtrent verricht. Bij een literatuurstudie werden 3129
artikels teruggevonden, waarvan slechts 10 rapporten (zijnde 6
unieke studies) voldeden aan de inclusiecriteria van de
meta-analyse. Het resultaat is ontgoochelend: er werden geen
gunstige effecten in het licht gesteld: geen vermindering van de
allergische sensibilisering en geen verbetering van de
immunoglobulineprofielen. Er werd ook geen daling van het risico
op astma, allergische rinitis of voedselallergie vastgesteld. In
tegenstelling tot wat werd waargenomen in experimentele en
epidemiologische studies, betwist die systematische meta-analyse
dus het gunstige effect van omega 3- en omega 6-supplementen bij
de primaire preventie van allergische sensibilisering.
Juni 2009
Als jonge kinderen junk food eten, stijgt het risico op
gedragsproblemen van het type hyperactiviteit (Wiles. et al.
2009 Eur J Clin Apr;63(4):491-8.)
In deze studie werd het verband onderzocht tussen het eten van
junk food (snacks met een geringe voedingswaarde) op de leeftijd
van 4,5 jaar en gedragsproblemen op de leeftijd van 7 jaar.
Daarvoor werden de gegevens verzameld van ongeveer 4000
deelnemers aan de Avon Longitudinal Study of Parents and
Children, een geboortecohorte die in 1991-1992 werd gerekruteerd
in Avon, Verenigd Koninkrijk. Volgens die studie verhoogt een
iets hogere consumptie van junk food dan gemiddeld (+ 1
standaarddeviatie) op de leeftijd van 4 ½ jaar het risico op
hyperactiviteit op de leeftijd van 7 jaar (odds ratio 1,19). Er
werd echter geen verband waargenomen tussen het eten van junk
food en gedragsproblemen in het algemeen of andere subschalen
van een schaal voor evaluatie van gedragsproblemen.
Juni 2009
Beschermt foliumzuur tegen atopie en wheezing ?
(Matsui EC. et al. J Allergy Clin Immunol 2009 June
123(6):1253-9.e2)
Foliumzuur speelt een rol bij tal van aandoeningen zoals
ontstekingsziekten. Het verband tussen foliumzuur en allergie is
echter niet duidelijk. Bij analyse van de gegevens van de
2005-2006 National Health and Nutrition Examination Survey
konden de auteurs aantonen dat er een negatieve correlatie
bestaat tussen de serumfoliumzuurspiegel en het totale
IgE-gehalte. Het risico op stijging van het totale IgE-gehalte,
atopie en wheezing daalt naarmate de foliumzuurspiegel hoger is.
Er bestaat zelfs een dosis-responsrelatie tussen de
foliumzuurspiegel en de daling van die verschillende variabelen.
Het beschermende effect blijft statistisch significant na
correctie voor vertekenende factoren zoals de leeftijd, het
geslacht, de volksgroep en de sociale toestand.
juni 2009
Borstvoeding tijdens de eerste kinderjaren verbetert de
endotheelfunctie van de slagaders later in het leven.
(Järvisalo MJ. et al. Eur J Clin Nutr. 2009;63:640-5.)
Borstvoeding tijdens de eerste kinderjaren zou invloed kunnen
hebben op het cardiovasculaire risico op volwassen leeftijd. Dat
werd bij volwassen Finnen onderzocht door niet-invasieve
echografische meting van de bloedvatfunctie. Mannen die
borstvoeding hadden gekregen, vertoonden een sterkere door de
bloedstroom gemedieerde vasodilatatie van de armslagaders dan
mannen die flesvoeding hadden gekregen. Dat verschil werd niet
teruggevonden bij vrouwen. Er werd echter geen significant
verband waargenomen tussen borstvoeding en de dikte van het
intima-mediacomplex of de compliantie van de arteria carotis.
Volwassen mannen die borstvoeding hebben gekregen, hebben dus
een betere endotheelfunctie dan mannen die flesvoeding hebben
gekregen.
juni 2009
Is een strikt naleven van het dieet van belang bij het verwerven
van tolerantie bij kinderen die allergisch zijn voor eieren?
(Allen CW. et al. Pediatr Allerg Immunol 2009;20:213-8.)
Allergie voor eieren is frequent, vooral bij eczema. Doorgaans
verdwijnt de allergie na enkele jaren. Het dieet wordt door de
ouders soms min of meer goed gevolgd. Heeft dat gevolgen?
Australische auteurs hebben een studie uitgevoerd bij kinderen
van gemiddeld 6,6 jaar die allergisch waren voor eieren en die
gedurende 5,5 jaar werden gevolgd. Ze hebben de ouders
vragenlijsten laten invullen om na te gaan welke rol de adviezen
van artsen en diëtisten spelen, en of het dieet al dan niet
strikt wordt nageleefd. De raadgevingen van artsen en diëtisten
betreffende het vermijden van eieren werden slecht gevolgd: 32%
van de ouders heeft niet steeds eieren geweerd uit de voeding en
47% rapporteerde een accidentele blootstelling. Eigenaardig
genoeg werd er geen verband waargenomen tussen het naleven van
het dieet en de ernst van de allergie. Het niet-naleven van het
dieet bleek geen invloed te hebben op het verwerven van
tolerantie: de kwaliteit van het gevolgde dieet en van de
dieetadviezen was dezelfde bij de kinderen bij wie de allergie
voor eieren aanhield, als bij de kinderen die er tolerant voor
waren geworden.
April 2009
Schakelt fastfood het beschermende effect van borstvoeding op
astma bij kinderen uit?
(Mai XM. Et al. Clin Experiment Allergy. 2009 Jan 21;39:556-61.)
In deze studie werd onderzocht of er een verband bestaat tussen
fastfood en astma bij kinderen en of het schadelijke effect van
fastfood de doeltreffendheid van borstvoeding bij de preventie
van astma zou kunnen opheffen. In deze casus-controlestudie aten
kinderen met astma meer fastfood dan kinderen zonder astma (OR
1,70). In vergelijking met langdurige borstvoeding (> 12 weken)
werd een hogere incidentie van astma waargenomen bij kinderen
die borstvoeding kregen gedurende minder dan 12 weken en nooit
of slechts af en toe fastfood aten, maar niet bij kinderen die
vaak fastfood aten (OR 1,7). Kinderen die veel fastfood aten en
gedurende minder dan 12 weken louter borstvoeding hadden
gekregen, hadden tweemaal vaker astma dan kinderen die gedurende
langere tijd borstvoeding hadden gekregen en pas later tijdens
de kinderjaren veel fastfood zijn gaan eten.
April 2009
Naar een betere kennis van allergie voor lupine.
(Peeters KA. Et al. Allergy. 2009;64:549-55.)
Lupine veroorzaakt een kruisallergie bij patiënten die
allergisch zijn voor pindanootjes. Lupine is een ingrediënt, die
almaar vaker wordt gebruikt, vooral door bakkers. Twee goede
redenen dus om er wat meer aandacht aan te besteden. Het gebruik
van lupine in het meel de laatste jaren heeft inderdaad geleid
tot een sensibilisering voor dat voedingsmiddel, vooral bij
mensen die allergisch zijn voor pindanootjes. De frequentie en
de mate van kruisallergie met peulgewassen daarentegen zijn niet
bekend. Bij onderzoek van patiënten die allergisch waren voor
pindanootjes, werd aangetoond dat 82% overgevoelig was voor
lupine, 50% voor erwten en 87% voor soja. De minimale dosis
lupine nodig om subjectieve symptomen op te wekken was 0,7 mg.
Bij toediening van 0,1 mg werd geen enkel klinisch effect
waargenomen (NOAEL of No Observed Adverse Effect Level).
April 2009
Enterocolitis veroorzaakt door voedseleiwitten: 16 jaar
ervaring.
(Mehr S. et al. Pediatrics. 2009;123:e459-e464.)
Dit is een Australische retrospectieve studie van alle gevallen
van enterocolitis op eiwitten die gedurende 16 jaar werden
gezien in een ziekenhuis van Sydney. In totaal betreft het 35
kinderen die 66 acute episoden hebben vertoond. De gemiddelde
leeftijd waarop de enterocolitis is opgetreden, was 5,5 maanden.
De kinderen hadden al veel episoden vertoond voor de diagnose
werd gesteld. Negenentwintig kinderen reageerden op een
voedingsmiddel en 6 op 2 voedingsmiddelen. De oorzakelijke
voedingsmiddelen bij de 35 kinderen waren rijst (n = 14), soja
(n = 12), koemelk (n = 2), groenten en fruit (n = 3), vlees (n =
2), haver (n = 2) en vis (n = 1). Het frequentste symptoom was
braken, gevolgd door slaapzucht, bleekheid en diarree. De
lichaamstemperatuur was vaak lager dan 36 °C. De diagnose werd
echter maar uiterst zelden gesteld bij de eerste episode:
slechts 2 van de 19 kinderen die zich bij de eerste episode op
de spoedgevallendienst hadden aangemeld, zijn vertrokken met de
juiste diagnose.
April 2009
Mazelen zouden beschermen tegen allergische aandoeningen,
vaccinatie tegen mazelen niet.
(Rosenlund H. et al. Pediatrics. 2009; Vol. 123 No. 3 March
2009, 771-8.)
Mazelen en het mazelenvaccin werken in op het immuunsysteem.
Kunnen mazelen of het mazelenvaccin invloed uitoefenen op de
prevalentie van allergie of overgevoeligheid? In een Zweedse
studie werd een negatieve correlatie waargenomen tussen
atopische overgevoeligheid en mazelen en een soortgelijke
tendens werd waargenomen met vaccinatie tegen mazelen. Na
correctie voor vertekenende factoren werd een negatieve
correlatie waargenomen tussen een mazeleninfectie en allergische
symptomen of een diagnose van allergie door een arts. Maar er
werd geen verband waargenomen tussen vaccinatie en allergische
ziekte. Een mazeleninfectie zou dus kinderen kunnen beschermen
tegen allergische ziekte. Vaccinatie doet dat niet.
April 2009
Veranderingen van de darmflora bij kinderen die op de
leeftijd van 5 jaar allergisch zullen zijn.
(Sjögren YM et al. Clin Exp Allergy 2009 Feb 9. [Epub ahead
of print].)
In een Zweedse studie werden stoelgangsmonsters afgenomen op de
leeftijd van 1 week, 1 maand en 2 maanden na de geboorte bij 47
kinderen. Die werden dan prospectief gevolgd tot de leeftijd van
5 jaar. De kinderen die een allergie hadden ontwikkeld, waren
significant minder gekoloniseerd met lactobacillen van de groep
Lactobacillus (rhamnosus, casei, para casei), Bifidobacterium
adolescentis en Clostridium difficile tijdens de eerste 2
levensmaanden. Zuigelingen die gekoloniseerd werden door
meerdere soorten bifidobacteriën, werden blootgesteld aan hogere
hoeveelheden endotoxine en groeiden op in grotere gezinnen dan
zuigelingen die weinig species herbergden. De diversiteit van de
microflora vroeg in het leven voorkomt dus ontwikkeling van
allergie. Dat zou een verklaring kunnen vormen voor de relatie
die werd waargenomen tussen allergie, de grootte van het gezin
en de blootstelling aan endotoxine.
Maart 2009
Accidentele allergische reacties bij kinderen met allergie
voor koemelkproteïnen
(Boyano-Martínez T. et al. J Allergy Clin Immunol. 2009. Feb 19.
[Epub ahead of print])
In een studie waarin vragenlijsten werden voorgelegd aan
families van kinderen die allergisch waren voor
koemelkproteïnen, werd vastgesteld dat 40% van de kinderen het
afgelopen jaar reacties had vertoond (53% lichte reacties, 32%
matige en 15% ernstige). De meeste reacties (47%) waren thuis
opgetreden in de normale levensomstandigheden. De IgE-titer
tegen koemelk was hoger bij kinderen met ernstige reacties dan
bij kinderen met matige reacties (37,70 versus 7,71 KuA/l, p =
0,04). De frequentie van ernstige reacties was 10-maal hoger bij
de astmatische kinderen. Het risico op ernstige reactie was ook
hoger in geval van een hoge IgE-titer tegen caseïne. Met die
studie wordt dus bevestigd dat het risico in geval
Maart 2009
Evolutie van allergie voor pindanootjes in de Australische
hoofdstad van 1995 tot 2007
(Mullins RJ. et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Feb 12. [Epub
ahead of print].)
In een Australische studie werd retrospectief de evolutie van
allergie voor pindanootjes geëvalueerd over een periode van 13
jaar (van 1995 tot 2007) aan de hand van de dossiers van 778
patiënten van 4 maanden tot 66 jaar oud. Meestal begon de
allergie voor de leeftijd van 72 maanden. Hoe later de eerste
reactie optrad, des te hoger was het risico op anafylaxie. Bij
patiënten ouder dan 72 maanden steeg het risico met 22,7% voor
elk extra jaar. Astma was een risicofactor van anafylaxie. De
minimale incidentie van allergie voor pindanootjes in die streek
van Australië was 1,15% bij de kinderen die waren geboren in
2004, en 0,73% bij de kinderen die waren geboren in 2001.
Maart 2009
Borstvoeding zou het risico op wiegendood verlagen
(Vennemann MM et al. Pediatrics 2009;Mar;123(3):e406-10.)
De laatste 20 jaar zijn campagnes te preventie van wiegendood
zeer doeltreffend gebleken, maar het effect verschilt blijkbaar
toch van land tot land. In sommige landen wordt preventief ook
aangeraden borstvoeding te geven en in andere landen niet. In de
German Study of Sudden Infant Death, een casus-controlestudie
van 336 zuigelingen die gestorven zijn aan wiegendood, en 998
controlebaby's, werd aangetoond dat 49,6% van de overleden
kinderen borstvoeding kreeg op de leeftijd van 2 maanden; bij de
controlekinderen was dat 82,9%. Exclusieve borstvoeding op de
leeftijd van 1 maand verlaagde het risico met de helft; partiële
borstvoeding verlaagde het risico, maar na correctie was het
verschil niet significant. Uit de overlevingscurven blijkt dat
zowel partiële borstvoeding als exclusieve borstvoeding het
risico op wiegendood verlaagt. Kortom, borstvoeding zou het
risico op dat gezinsdrama met 50% kunnen verlagen.
Maart 2009
Verband tussen obesitas en tekenen van allergie
(Visness CM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Feb 20. [Epub
ahead of print].)
De laatste decennia is de incidentie van obesitas sterk
toegenomen net zoals die van allergie. Is er een verband tussen
beide? Bij analyse van de National Health and Nutrition
Examination Survey van 2005 - 2006 werd vastgesteld dat het
geometrische gemiddelde van het totale IgE-gehalte hoger is bij
zwaarlijvige mensen (1,31) en mensen met overgewicht (1,25) dan
bij mensen met een normaal gewicht. Zwaarlijvige mensen lopen
een hoger risico op atopische ziekten dan mensen met een normaal
gewicht en dat is vooral toe te schrijven aan een hogere
gevoeligheid voor voedingsmiddelen (odds ratio van 1,26 voor
atopie en van 1,59 voor voedselallergie). Het CRP-gehalte, een
ontstekingsmerker, correleert met het totale IgE-gehalte, atopie
en voedselallergie. Obesitas zou dus kunnen bijdragen tot de
epidemie van allergie bij kinderen en vooral dan de epidemie van
voedselallergie.
Maart 2009
Mechanisme van voedselallergie
(Eigenmann PA. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Feb;20(1):5-11.)
Voedselallergie is het gevolg van een ruptuur van de orale
tolerantie, en die ruptuur vindt vooral plaats tijdens de eerste
kinderjaren. Bij dergelijke patiënten kan een kleine hoeveelheid
van allerhande voedselallergenen een IgE-afhankelijke
overgevoeligheid veroorzaken, maar ook een niet-IgE-afhankelijke
overgevoeligheid, waarbij eosinofielen en
ontstekingsverschijnselen met T-lymfocyten een rol spelen. De
symptomen hangen af van het ziektemechanisme. In deze review
worden 3 gevallen van voedselallergie beschreven: een kind met
een typische door IgE gemedieerde allergie, een kind met een
eosinofiele proctocolitis en een derde patiënt, bij wie de
mechanismen van verworven tolerantie bespreken.
Maart 2009
Voedselallergie verhoogt het risico op astma
(Schroeder A et al. Clin Exp Allergy. 2009; Feb;39(2):261-70.)
Deze studie werd in Chicago uitgevoerd bij 271 kinderen van 6
jaar of ouder en 296 kinderen jonger dan 6 jaar. Er werd een
correlatie vastgesteld tussen symptomatische voedselallergie en
astma ongeacht de leeftijd van de kinderen (jonger of ouder dan
6 jaar). De correlatie was sterker bij kinderen die sterk
allergisch waren voor meerdere voedingsmiddelen, vooral bij de
oudste kinderen. Kinderen met voedselallergie kregen sneller
astma en de prevalentie van astma was hoger bij die kinderen dan
bij kinderen zonder voedselallergie. Er werd geen correlatie
waargenomen tussen asymptomatische overgevoeligheid voor voedsel
en astma.
Maart 2009
Eliminatiedieet en atopisch eczeem: een systematisch overzicht
(Bath-Hextall F et al. Allergy. 2009; Feb;64(2):258-64.)
Atopisch eczeem is de frequentste huidziekte tijdens de
kinderjaren. Er werden veel onderzoeken uitgevoerd om na te gaan
of een eliminatiedieet het atopisch eczeem kan verbeteren. Er
werden negen studies geanalyseerd; de meeste waren slecht
gerapporteerd. In zes studies werd het effect onderzocht van
eliminatie van eieren en melk, van eliminatie van enkele
voedingsmiddelen en van een elementair dieet. Eliminatie van
eieren en melk bleek geen effect te hebben in een
niet-geselecteerde populatie. Maar bij zuigelingen bij wie er
een vermoeden bestond van allergie voor eieren en die positief
testten op eieren, had een voeding zonder eieren wel een gunstig
effect: de uitgebreidheid en de ernst van de letsels
verminderden. Het heeft dus geen zin een eliminatiedieet voor te
schrijven tenzij als de noodzaak daartoe werkelijk bewezen is.
Februari 2009
Probiotica: de moeder op het einde van de zwangerschap
behandelen om de darmflora van het kind te wijzigen
(Lahtinen SJ et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Jan 7. )
De samenstelling van de darmflora tijdens het eerste levensjaar
kan minstens ten dele bijdragen tot het optreden van eczeem of
atopie later in het leven. In veel studies is aangetoond dat
toediening van probiotica vanaf de eerste levensmaanden gunstige
effecten zou kunnen hebben. In een studie werd het effect
onderzocht van toediening van het probioticum Lactobacillus
rhamnosus GG (LGG) zeer vroeg in het leven, d.w.z. aan de moeder
op het einde van de zwangerschap. Na behandeling steeg het
aantal moeders die gekoloniseerd waren met LGG, van 1,7% bij
inclusie in de studie tot 66,7% bij de geboorte. In de
placebogroep bleef het percentage kolonisatie met LGG stabiel:
van 5 % tot 11,8 % (p < 0,001). Alle monsters van moedermelk en
van de vagina bleven negatief. Op de leeftijd van 90 dagen was
12,7% van de kinderen van de behandelde moeders gekoloniseerd
met LGG tegen 8,8% in de placebogroep. Er waren evenwel
verschillen in de flora bij de kinderen. Zo werd vaker
Bifidobacterium longum teruggevonden na behandeling van de
moeder (82 % vs. 61 %, p = 5,01). Toediening van LGG aan de
moeder op het einde van de zwangerschap leidt dus niet tot
kolonisatie van het kind met LGG, maar beïnvloedt wel
gedeeltelijk de kolonisatie van het kind met bifidobacteriën.
Februari 2009
Probiotica voorkomen door IgE gemedieerde allergie tot de
leeftijd van 5 jaar bij kinderen die via keizersnede worden
geboren
(Kukkonen K et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Jan 7.)
In een gerandomiseerde, placebogecontroleerde studie hebben meer
dan 1000 moeders met een risico op allergie een mengsel van
probiotica gekregen (2 soorten lactobacillen, een bifidobacterie
en een propionzuurbacterie) of een placebo tijdens de laatste
maand van de zwangerschap. Hun kinderen hebben die probiotica
gekregen vanaf de geboorte tot de leeftijd van 6 maanden. Er
werd geen significant verschil waargenomen in atopisch eczeem,
allergische rinitis of astma tussen de groepen. Maar de
incidentie van door IgE gemedieerde allergische aandoeningen was
lager bij de kinderen die waren geboren via keizersnede en
probiotica hadden gekregen (24,3 % versus 40,5 %). Supplementen
van probiotica hadden dus geen preventief effect behalve bij
kinderen die waren geboren via keizersnede. In die studie werden
de kinderen maar gevolgd tot de leeftijd van 5 jaar. Het zou
kunnen dat de resultaten op langere termijn anders zijn.
Februari 2009
Invloed van de voeding op ADHD (Sinn N. Nutr Rev.
Volume 66, Number 10, October 2008 , pp. 558-568(11).)
Er wordt veel onderzoek verricht naar de behandeling van ADHD
(aandachtsstoornis met hyperactiviteit), ook op het gebied van
de voeding, die op sommige punten niet optimaal zou zijn. In een
literatuurstudie werden de mogelijke effecten onderzocht van
zink, ijzer, magnesium, polyonverzadigde langeketenvetzuren en
voedselallergie. Voor zover we daar nu een uitspraak over kunnen
doen, zouden omega 3-vetzuren en voedselallergie een rol kunnen
spelen.
Februari 2009
Allergie voor melk: naar een orale immunotherapie?
(Skripak JM et al. J Allergy Clin Immunol. 2008 Oct 23. DOI:
10.1016/j.jaci.2008.09.030.)
Een Amerikaanse groep heeft een orale immunotherapie beschreven
bij kinderen met een IgE-afhankelijke allergie voor
koemelkproteïnen. Daarbij worden geleidelijk toenemende
hoeveelheden melk toegediend de eerste dag, gevolgd door een
geleidelijke verhoging thuis en daarna een onderhoudsdosering.
In die dubbelblinde hebben 12 kinderen het actieve product
gekregen en 7 een placebo. De orale immunotherapie was zeer
doeltreffend en resulteerde in een toename van de hoeveelheid
melk die de kinderen konden verdragen. Die toename ging gepaard
met een stijging van de IgG4-spiegel tegen melk zonder
verandering van de IgE-spiegel. De immunotherapie veroorzaakt
nogal wat bijwerkingen, maar die zijn volgens de auteurs
aanvaardbaar.
Februari 2009
Snel starten met vis verlaagt het risico op eczeem bij
zuigelingen
(Alm B et al. Arch Dis Child. 2009 Jan;94(1):11-5. Epub 2008 Sep
25.)
In meerdere studies werd onderzocht welke factoren al dan niet
invloed kunnen uitoefenen op het optreden van allergie bij
kinderen. In een Zweedse studie van de geboorteregisters van
4921 zuigelingen bedroeg de incidentie van eczeem voor het einde
van het eerste levensjaar 20,9%, een cijfer dat strookt met de
cijfers die klassiek in de literatuur worden teruggevonden. Het
eczeem begon gemiddeld op de leeftijd van 4 maanden. Bij
multivariate analyse waren familiale antecedenten van eczeem,
vooral bij de broers en de zussen of bij de moeder, een
risicofactor van eczeem bij het kind, wat niet nieuw is. Nieuw
is wel dat starten met vis voor de leeftijd van 9 maanden en dat
het bezit van een vogel thuis het risico op eczeem verlagen.
Januari 2009
Immunologische veranderingen bij kinderen die allergisch zijn
voor eieren, maar hard gekookte eieren wel verdragen
(Lemon-Mulé H et al. J Allergy Clin Immunol 2008 Nov;122(5):977-983.e1.
Epub 2008 Oct 11.)
Volgens meerdere studies verdragen veel kinderen die allergisch
zijn voor eieren, gekookte eieren goed. In een studie bij
kinderen met een door IgE gemedieerde allergie voor eieren werd
aangetoond dat 64 van de 117 kinderen gekookte eieren
verdroegen; 23 kinderen verdroegen normale eieren en 27
reageerden op gekookte eieren. De kinderen die reageerden op
gekookte eieren, reageerden sterker bij huidtests en vertoonden
een hoger specifiek IgE-gehalte tegen het wit van ei, ovalbumine
en ovomucoïd dan de kinderen die gekookte eieren of eieren in
het algemeen verdroegen. Bij continue inname van gekookte eieren
werd de diameter van de papel bij huidtests kleiner, daalde de
titer van IgE tegen ovalbumine en steeg de titer van IgG4 tegen
ovalbumine en ovomucoïd. Bij kinderen die allergisch zijn voor
eieren, zou continue ingestie van gekookte eieren dus vaak goed
worden verdragen en zou dat zelfs de klinische tolerantie voor
niet-gekookte eieren verbeteren.Januari 2009
Rijst, een frequente en ernstige oorzaak van allergische
enterocolitis
(Mehr S et al. Arch Dis Child. 2008 Oct 28. [Epub ahead of
print])
In een retrospectieve Australische studie werden 14 kinderen
beschreven met 26 episoden van allergische enterocolitis op
rijst en 17 kinderen met 30 episoden van allergische
enterocolitis op melk of soja. De kinderen die allergisch waren
voor rijst, waren vaker allergisch voor andere voedingsmiddelen
dan de andere kinderen. Rijst staat bekend als een hypoallergeen
voedingsmiddel, maar volgens de auteurs toont die studie aan dat
rijst een almaar frequentere oorzaak is van allergische
enterocolitis.
Januari 2009
Vis eten tijdens de zwangerschap en borstvoeding om de
ontwikkeling van het kind te verbeteren
(Am J Clin Nutr 2008;88:789-96. Oken E.)
In een studie van de "Danish National Birth Cohort" werd
aangetoond dat de ontwikkelingsscores op de leeftijd van 18
maanden hoger zijn als de moeder meer vis at tijdens de
zwangerschap en langer borstvoeding gaf. Soortgelijke
observaties werden gedaan op de leeftijd van 6 maanden. De
correlatie tussen visconsumptie tijdens de zwangerschap en de
ontwikkeling van het kind was onafhankelijk van de duur van de
borstvoeding. Kortom, het eten van vis tijdens de zwangerschap
en de duur van de borstvoeding hebben een onafhankelijke invloed
op de vroege ontwikkeling van het kind.
Januari 2009
Door pollen en fruit veroorzaakte symptomen vroeg in het
leven en allergische aandoeningen op de leeftijd van 4 jaar
(Allergy 2008;93:1499-504. Mai XM.)
Een studie heeft de voorspellende waarde onderzocht van door
pollen en fruit veroorzaakte symptomen wat het latere optreden
van een allergische aandoening betreft. 6% van die Zweedse
kinderen van 1 tot 2 jaar vertoonde symptomen op pollen, 6%
vertoonde symptomen op fruit en 1,4% op beide. Kinderen die op
de leeftijd van 1 en 2 jaar symptomen vertoonden die werden
veroorzaakt door stuifmeel en fruit, vertoonden een hoger risico
op overgevoeligheid voor een pollenallergeen op de leeftijd van
4 jaar (odds ratio 4,4). Die groep kinderen liep ook een hoger
risico op ontwikkeling van allergisch astma, rinitis of eczeem
op de leeftijd van 4 jaar, ongeacht de pollenovergevoeligheid.
December 2008
Borstvoeding zou de cholesterolconcentratie later in het
leven verlagen
(Am J Clin Nutr 2008;88:305-14. Owen CG.)
Bij analyse van de publicaties over het verband tussen
borstvoeding en de cholesterolconcentratie op volwassen leeftijd
blijkt dat die laatste lager is bij kinderen die borstvoeding
hebben gekregen, dan bij kinderen die flesvoeding hebben
gekregen. Het verschil was hoger en consistenter in studies
waarin werd uitgegaan van "exclusieve" voeding, dan in studies
waarin geen rekening werd gehouden met die parameter. Initiële
borstvoeding verlaagt waarschijnlijk de cholesterolconcentratie
later in het leven. Het lage cholesterolgehalte in flesvoeding
zou in werkelijkheid schadelijk kunnen zijn.
December 2008
Probiotica zouden weinig doeltreffend zijn bij de behandeling
van eczeem
(Cochrane Database Syst Rev 2008;(4):CD006135. Boyle RJ)
Er werden tal van studies uitgevoerd om de doeltreffendheid van
probiotica bij de behandeling van eczeem te evalueren. In een
recente review van de Cochrane Database gebaseerd op 12
gerandomiseerde studies met in totaal 781 deelnemers was de
ernst van het eczeem (op een schaal van 0 tot 102) 2,46 punten
lager na behandeling met probiotica dan in de placebogroep. De
resultaten waren heterogeen, wat kan worden verklaard door het
gebruik van verschillende stammen van probiotica. Er hebben zich
enkele bijwerkingen (infectie, darmischemie) voorgedaan. De
conclusie van de auteurs is dat er onvoldoende bewijzen zijn van
doeltreffendheid van probiotica bij de behandeling van eczeem en
dat er een klein risico is op bijwerkingen.
November 2008
Tolerantie voor bij hoge temperatuur gekookte melk bij
kinderen die allergisch zijn voor koemelkproteïnen
(J Allergy Clin Immunol 2008;122:342-7. Nowak-Wegrzyn A.)
Hoge temperaturen vernietigen conformationele epitopen. De groep
van HA Sampson (New York) heeft onderzocht of kinderen die
allergisch zijn voor koemelkproteïnen, melkproducten kunnen
verdragen die gekookt werden bij een hoge temperatuur (in de
oven). Er werden provocatietests uitgevoerd bij 100 kinderen van
gemiddeld 7,5 jaar. De meesten (75%) konden de bij hoge
temperatuur gekookte melk verdragen. Bij de kinderen die ook nog
reageerden op bij hoge temperatuur gekookte melk, waren de
huidtests significant meer uitgesproken en was de concentratie
van specifieke IgE hoger dan bij de andere.
November 2008
Allergie voor peulgewassen in Spanje
(Ann Allergy Asthma Immunol. 2008;101:179-84. Martínez San
Ireneo M.)
Linzen, grauwe erwten, bonen en erwten zijn de peulgewassen die
het meest worden gegeten in het Middellandse Zeegebied. Volgens
een studie bij 54 kinderen die allergisch waren voor
peulgewassen, begonnen de stoornissen op de leeftijd van
ongeveer 2 jaar: 70% van de kinderen vertoonde een positieve
huidtest voor minstens 3 peulgewassen. De resultaten waren vaker
positief met gekookte extracten dan met rauwe extracten.
Belangrijk is vooral allergie voor linzen, gevolgd door allergie
voor grauwe erwten. De frequentste symptomen zijn respiratoire (rinitis
en/of astma) en huidsymptomen.
November 2008
Probiotica per os voorkomen ulceronecrotiserende
enterocolitis bij zeer premature kinderen
(Pediatrics 2008;122:693-700. Lin HC.)
In deze Taiwanese studie kregen kinderen borstvoeding of
flesvoeding die tweemaal per dag gedurende zes weken werden
verrijkt met een mengsel van Bifidobacterium bifidum en
Lactobacillus acidophilus. Er werd een daling van de incidentie
van ulceronecrotiserende enterocolitis (stadium 2 of hoger) en
van de mortaliteit waargenomen. In de behandelde groep bedroeg
de frequentie van ulceronecrotiserende enterocolitis 4/217
zuigelingen tegen 20/217 in de onbehandelde groep. Er werden
geen bijwerkingen zoals septikemie, gasproductie of diarree
waargenomen.
November 2008
Snelle orale immunotherapie bij kinderen met een
persisterende allergie voor koemelkproteïnen
(J Allergy Clin Immunol 2008;122:418-9. Staden U.)
Volgens deze Duitse studie die werd uitgevoerd bij 9 kinderen
ouder dan 3 jaar met een door IgE gemedieerde allergie voor
koemelkproteïnen, kunnen de kinderen worden gedesensibliseerd
door toediening van progressief stijgende doses melk, gemiddeld
een twintigtal. Bij 6 van de 9 kinderen steeg de drempel van
melktolerantie tot 120 ml na drie tot zeven dagen. Twee
patiëntjes konden een lagere dosis verdragen en bij 1 patiëntje
was de proef mislukt
November 2008
Vroeg starten met vis verlaagt het risico op eczeem bij
pasgeborenen
(Arch Dis Child 2008 Sep 25. doi:10.1136/adc.2008.140418 [Epub
ahead of print]. Alm B.)
In deze prospectieve, longitudinale cohortestudie die werd
uitgevoerd in het westen van Zweden, werd vastgesteld dat 20,9%
van de baby's op de leeftijd van 1 jaar eczeem heeft of gehad
heeft. De mediane leeftijd waarop het eczeem begon, was 4
maanden. Bij multivariate analyse zijn familiale antecedenten
van eczeem, vooral bij de broers en zussen, een risicofactor (odds
ratio 1,87). In die studie werd ook aangetoond dat toediening
van vis voor de leeftijd van 9 maanden (OR 0,76) en aanwezigheid
van een vogel thuis (OR 0,35) een gunstig effect hebben.
Borstvoeding, de leeftijd waarop werd gestart met eieren, en de
aanwezigheid van een kat of een hond thuis hadden geen invloed
op het risico.
November 2008
Geen bifidobacteriën na een keizersnede
(J Nutr 2008;138:1796S-1800S. Biasucci G.)
Het maag-darmkanaal van pasgeborenen wordt onmiddellijk na de
geboorte gekoloniseerd door micro-organismen uit de omgeving,
vooral afkomstig van de moeder. Die micro-organismen spelen een
belangrijke rol bij de postnatale ontwikkeling van het
immuunsysteem. Volgens deze studie bevat de darmflora van
kinderen die worden geboren via een keizersnede, een geringer
aantal verschillende soorten bacteriën dan de darmflora van
kinderen die langs vaginale weg worden geboren. De darmflora na
keizersnede wordt ook gekenmerkt door een afwezigheid van
bifidobacteriën. Kinderen die langs lage weg worden geboren,
vertonen enkele predominante groepen zoals Bifidobacterium
longum en Bifidobacterium catenulatum, ook al verschillen ze
voorts qua microbieel profiel.
November 2008
Staphylococcus epidermidis domineert de fecale flora van
kinderen die borstvoeding krijgen
(BMC Microbiol 2008;8:143. Jiménez E.)
Volgens een studie die werd uitgevoerd bij 16 moeders en hun
kinderen, is Staphylococcus epidermidis de
belangrijkste species in de melk en de stoelgang van kinderen
die borstvoeding krijgen, en komt die species veel minder vaak
voor bij kinderen die flesvoeding krijgen. De op een na
belangrijkste species is Enterococcus faecalis. De
Staphylococcus epidermidisstammen die worden gekweekt uit de
melk en de stoelgang van kinderen die borstvoeding krijgen,
bevatten een zeer laag aantal determinanten van virulentie. Die
stammen zijn gevoelig voor de meeste geteste antibiotica.
November 2008
IgE tegen omega 5-gliadine bij de diagnose van tarweallergie bij
kinderen
(J Allergy Clin Immunol 2008;122:419-21. Beyer K.)
Tarweallergie komt vaak voor tijdens de eerste kinderjaren. De
diagnose ervan is vrij weinig betrouwbaar en steunt enkel op
orale provocatietests, Maar die correleren niet goed met de
concentratie van specifieke IgE tegen tarwe. In Duitsland en de
Verenigde Staten werd een studie uitgevoerd om het nut van
meting van de concentratie van IgE tegen omega 5-gliadine te
evalueren. Er werd geen correlatie waargenomen tussen de
concentratie van specifieke IgE en de provocatietests. Maar bij
de patiënten met een vermoede tarweallergie zonder verhoogde
concentratie van specifieke IgE tegen tarwe zou bepaling van
specifieke IgE tegen omega 5-gliadine nuttig kunnen zijn om
overgevoeligheid voor wateronoplosbare tarweproteïnen op te
sporen. Met die studie wordt echter vooral duidelijk dat
onderzoek moet worden verricht om de belangrijkste allergenen
van tarweallergie te identificeren.
November 2008
Visolie op het einde van de zwangerschap om astma bij het kind
te voorkomen
(Am J Clin Nutr 2008;88:167-75. Olsen SF.)
Een hogere inname van polyonverzadigde langeketenvetzuren
tijdens de zwangerschap in de vorm van visolie blijkt het risico
op astma te verlagen. Het risico op astma zou dalen met ongeveer
63% en het risico op allergisch astma met 87%. Dat resultaat
wijst erop dat een hogere inname van n3-vetzuren tijdens de
zwangerschap een gunstig effect zou kunnen hebben bij de
preventie van astma bij het kind.
Oktober 2008
Behandeling met prebiotica en/of probiotica en incidentie van
postnatale infecties
(Pediatrics 2008;122:8-12. Kukkonen K.)
April 2008
Tussen november 2000 en maart 2003 hebben vrouwen die zwanger
waren van kinderen met een hoog risico op allergie, een mengsel
van 4 species van probiotica (groep Symlactobacillus ramnosus GG,
LC 705, Bifidobacterium breve Bb99 en Propionibacterium
freudenreichii ssp. shermanii) of een placebo gekregen gedurende
4 weken. De kinderen van beide groepen vertoonden een normale
groei. Er was geen verschil in neonatale morbiditeit, eetgedrag
(zoals kolieken) of ernstige bijwerkingen tussen de
studiegroepen. Tijdens de 6 maanden van de interventie werden
minder vaak antibiotica voorgeschreven in de symbiotische groep
dan in de placebogroep (23 % versus 28 %). Tijdens de
follow-upperiode hebben zich minder vaak luchtweginfecties
voorgedaan in de symbiotische groep (geometrisch gemiddelde van
3,7 versus 4,2 infecties).
September 2008
Symptomen van voedselallergie en echte overgevoeligheid bij
kinderen van 4 jaar
(Acta Paediatr 2008 ; 97 : 85-90. Ostblom E et al.)
Volgens een Zweedse studie rapporteren de ouders
overgevoeligheid voor voedsel bij 11% van de kinderen van 4
jaar. Eczema is het frequentste en in de helft van de gevallen
ook het enige symptoom. De reactie op voedsel kan ook op de
luchtwegen slaan of de vorm aannemen van oedeem van het gelaat
of urticaria. De meeste kinderen (75%) rapporteren veel
symptomen. Een combinatie van die verschillende symptomen samen
met cutane overgevoeligheid voor voedingsstoffen getuigt van een
ernstigere vorm van voedselallergie en komt voor bij 1,6% van de
kinderen. De symptomen die worden veroorzaakt door pindanootjes,
zijn duidelijk te wijten aan overgevoeligheid van de huid voor
pindanootjes.
September 2008
Directe en indirecte cellulaire effecten van aspartaam op de
hersenen
(Eur J Clin Nutr 2008 ; 62 : 451-62. Humphries P, Pretorius
E, Naudé H.)
Aspartaam is een zoetmiddel dat bestaat uit fenylalanine (50%),
aspartaamzuur (40%) en methanol (10%) en dat veel door jonge
adolescenten wordt gebruikt. Er is al veel onderzoek over
aspartaam verricht omdat velen zich zorgen maken over de
mogelijke negatieve effecten ervan. In een reviewartikel worden
de effecten van de verschillende bestanddelen op de hersenen
doorgenomen: fenylalanine regelt de neurotransmissie,
aspartaamzuur heeft exciterende effecten en methanol kan zeer
toxische derivaten voortbrengen. Er werden meerdere bijwerkingen
met aspartaam beschreven zoals neurologische en
gedragsstoornissen bij gevoelige personen, hoofdpijn, insomnia
en convulsies. De auteurs denken dat die effecten het gevolg
zouden kunnen zijn van veranderingen van de regionale
concentraties van catecholamines.
September 2008
Soorten voeding tijdens de zwangerschap en de foetale groei
(Eur J Clin Nutr 2008 ; 62 : 463-70. Knudsen VK,
Orozova-Bekkevold IM, Mikkelsen TB, Wolff S, Olsen SF.)
Deze auteurs hebben het mogelijke verband onderzocht tussen de
voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en de foetale
groei. Er werden twee essentiële voedingstypes gedefinieerd: een
voeding die werd gekenmerkt door consumptie van rood vlees en
vetrijke zuivelproducten, en een voeding die werd gekenmerkt
door consumptie van groenten, fruit, gevogelte en vis. De
vrouwen werden naargelang van hun voeding ingedeeld in "westerse
voeding" met een hoge consumptie van voedingsmiddelen van het
eerste type, een "gezondheidsbewuste voeding" met een voorkeur
voor voedingsmiddelen van het 2e type en een "intermediaire"
voeding. Het risico op kleine kinderen met een geboortegewicht
lager dan percentiel 2,5 was lager (RR 0,74) bij de vrouwen die
een "gezondheidsbewuste" voeding volgden, dan bij de vrouwen met
een "westerse" voeding. Consumptie van veel rood vlees en
vetrijke zuivelproducten zou dus het risico op intra-uteriene
groeiretardatie kunnen verhogen.
September 2008
Analyse van voedselallergie en anafylaxie in een nationaal
bewakingssysteem
(J Allergy Clin Immunol. 2008 ; 121 :166-71. Phelan Ross M,
Ferguson M, Street D, Klontz K, Schroeder T, Luccioli S.)
Analyse van de symptomen van voedselallergie voorspelt 20 821
consultaties op de spoedgevallendienst, 2333 visites wegens
anafylaxie en 520 ziekenhuisopnames wegens voedselallergie in de
Verenigde Staten tijdens de studieperiode van twee maanden. De
gemiddelde leeftijd was 26 jaar en 24% van de visites had
betrekking op kinderen jonger dan 5 jaar. Schaaldieren waren de
frequentste oorzaak van voedselallergie boven de leeftijd van 6
jaar. Bij kinderen jonger dan 5 jaar ging het vooral om allergie
voor eieren, fruit, pindanootjes en noten.
September 2008
Gerandomiseerde studie van babyvoeding met probiotica en
symbiotica
(Am J Clin Nutr 2008, 87 : 1365-73. Chouraqui JP, Grathwohl
D, Labaune JM, Hascoet JM, de Montgolfier I, Leclaire M, Giarre
M, Steenhout P.)
In een gerandomiseerde, gecontroleerde studie bij voldragen
kinderen die enkel flesvoeding kregen met Bifidobactérium longum
plus Lactobacillus rhamnosus of diezelfde flesvoeding plus een
mengsel van galacto-fructo-oligosacchariden (GOS-FOS) of
Bifidobacterium longum plus Lactobacillus paracasei plus GOS-FOS,
werd geen significant verschil in gewichtstoename waargenomen
tussen de controlegroep en de studiegroep en dat zowel bij
analyse volgens het principe van intentie tot behandelen als bij
analyse per protocol. Er was ook geen verschil in de andere
onderzochte parameters.
Augustus 2008
Sensibilisering en klinische allergie voor lupine bij
kinderen met voedselallergie in Noorwegen
(Acta Paediatr 2008 ; 97 : 91-95. Lindvik H, Holden L, Løvik M,
Cvancarova M, Halvorsen R. Lupin sensitization and clinical
allergy in food allergic children in Norway.)
35 kinderen met voedselallergie die naar een
referentieziekenhuis werden verwezen, werden geëvalueerd met een
huidtest en specifieke IgE tegen lupine, pindanootjes, erwten en
soja. De huidtest was in 43% van de gevallen positief op lupine
en 49% van de kinderen had specifieke IgE. Slechts een van de 10
kinderen met een positieve test bij wie een provocatietest werd
uitgevoerd, vertoonde een allergische reactie op lupinemeel. Dat
was een van de 6 kinderen die specifieke IgE hadden tegen
pindanootjes in een concentratie van meer dan 15 KE/l. Er was
een sterke correlatie tussen een positieve priktest voor lupine
en een positieve priktest voor soja en tussen een positieve
priktest voor lupine en specifieke IgE tegen soja, erwten en
pindanootjes. Overgevoeligheid voor lupine blijkt dus niet echt
te predisponeren tot een echte klinische allergie voor lupine.
We moeten dus geen zinloos eliminatiedieet voorschrijven.
Augustus 2008
Heeft de wijze van borstvoeding invloed op de gewichtstoename
bij zuigelingen?
(Arch Dis Child 2008 ; 93 : 292-6. Walshaw CA, Owens JM, Scally
AJ, Walshaw MJ.)
In een studie uitgevoerd in Liverpool, Verenigd Koninkrijk,
wordt aangetoond dat het gedrag van de moeder tijdens
borstvoeding invloed kan hebben op de gewichtstoename van haar
kind. Een groep moeders kreeg uitleg over klassieke
borstvoeding, de andere niet. Bij de moeders die een dergelijke
educatie hadden gekregen, was het percentage exclusieve
borstvoeding na 12 weken hoger dan in de andere groep en steeg
het gewicht van de baby's meer tot de leeftijd van 6-8 weken. De
kinderen die minder dan 10 minuten aan de eerste borst lagen,
vertoonden een sterkere gewichtstoename na 6-8 weken, dan de
baby's die er langer dan 10 minuten aanlagen.
April 2008
Eczema is te wijten aan de aanwezigheid van bifidobacterium
pseudocatenulatum in de fecale microbiota
(J Allergy Clin Immunol. 2008 ; 121 : 135-40. Gore C et al.)
Een casus-controlestudie van kinderen van drie tot zes maanden
met of zonder eczeem leert dat er geen verschil in microflora is
tussen die twee groepen. Familiale antecedenten van allergie
verhogen de kansen op detectie van bifidobacteriën (86% versus
56%, p = 0,047). Kinderen die borstvoeding krijgen, lopen meer
kans om Bifidobacterium bifidum te dragen. Bifidobacterium
pseudocatenulatum werd vaker teruggevonden in de feces van
kinderen met eczema die geen borstvoeding kregen. Er werd geen
significante relatie waargenomen tussen de klinische metingen en
de detectie van Bifidobacterium pseudocatenulatum.
April 2008
Meta-analyse van studies met probiotica in de preventie en de
behandeling van atopische dermatitis bij kinderen
(J Allergy Clin Immunol. 2008 ; 121 : 116-121. Lee J, Seto
D, Bielory L.)
Een meta-analyse van alle gegevensbanken van PubMed en Cochrane
leert dat het gebruik van probiotica een preventief effect van
ongeveer 0,69 blijkt te hebben in de preventie van atopische
dermatitis. Volgens de auteurs zijn er nu voldoende bewijzen dat
probiotica een gunstig effect hebben bij de preventie van
atopische dermatitis.
Maart 2008
Borstvoeding beschermt tegen luchtweginfecties
Bron: Universiteit Maastricht
Baby's die borstvoeding krijgen, hebben een kleinere kans op
wheezeklachten (een piepende ademhaling die duidt op aanleg
voor astma) dan baby's die vanaf de geboorte flesvoeding
krijgen. Naarmate er na het tweede jaar langer wordt gewacht met
overstappen op koemelkproducten of andere voedingsmiddelen neemt
wel de kans op eczeem toe.
Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Bianca Snijders waarop
ze vrijdag 22 februari promoveerde aan de Universiteit
Maastricht. Het onderzoek maakt deel uit van de omvangrijke
KOALA-studie naar de mogelijke oorzaken voor het toenemend
aantal allergieën onder de westerse bevolking. KOALA staat voor
'Kind Ouder en gezondheid: Aandacht voor Leefwijzen en Aanleg'.
Het onderzoek bestudeert een breed scala van factoren waaronder
infecties, voeding, leefstijl en genetische aanleg en richt zich
daarbij vooral op leefstijl, borstvoeding en de rol van de
microbiële darmflora. 2800 moeder-kindparen worden sinds 2000
gevolgd voor deze studie, waarop eerder al twee onderzoekers
promoveerden: John Penders op de rol van de darmflora en Ischa
Kummeling op antibiotica en biologische zuivel. De promovenda
denkt dat de combinatie borstvoeding, gevolgd door koemelk en
andere voedingsmiddelen mogelijk kan leiden tot 'orale
tolerantie'. Dit houdt in dat ons afweersysteem onschuldige
stoffen zoals voedselallergenen niet als "vreemd" beschouwt. Bij
gezonde mensen is het mechanisme van orale tolerantie intact
waardoor ze bijvoorbeeld gewoon pinda's kunnen eten zonder een
allergische reactie te krijgen. Als het mechanisme van orale
tolerantie verstoord is, kan dit mogelijk leiden tot allergie.
Snijders wijst echter op de noodzaak van vervolgonderzoek
voordat een gewijzigd advies rond borstvoeding en de introductie
van koemelk gerechtvaardigd is.
Maart 2008
Vroege voedingsinterventie en ontwikkeling van atopie bij
zuigelingen en kinderen
(Pediatrics. 2008 ; 121 : 183-91. Greer FR, Sicherer SH, Burks
AW ; American Academy of Pediatrics Committee on Nutrition;
American Academy of Pediatrics Section on Allergy and Immunology.)
Het tijdschrift Pediatrics publiceert een analyse van de
voedingsopties tijdens de zwangerschap, de periode van
borstvoeding en het eerste levensjaar die een impact kunnen
hebben op de ontwikkeling van atopische aandoeningen in het
begin van het leven. Dat artikel vervangt de vorige "position
paper" van de American Academy of Pediatrics over babyvoeding.
De Amerikaanse aanbevelingen zijn nu als volgt: de voeding van
de moeder tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding
blijkt weinig invloed te hebben. Borstvoeding gedurende meer
dan 4 maanden kan het optreden van atopische dermatitis,
allergie voor koemelk en wheezing tijdens de eerste kinderjaren
voorkomen of tegengaan in vergelijking met standaardflesvoeding.
Het gebruik van gehydrolyseerde flesvoeding zou een licht
preventief effect hebben in vergelijking met standaardvoeding.
Bij vergelijking van de verschillende gehydrolyseerde formules
blijken ze niet allemaal eenzelfde gunstig effect te hebben. Er
zijn weinig aanwijzingen dat een trager starten van een
gediversifieerde voeding tussen de leeftijd van 4 en 6 maanden
atopie voorkomt.Maart 2008
CD14-polymorfisme beïnvloedt het effect van consumptie van
koemelk op allergische aandoeningen
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1308-15. Bieli C et al.)
CD14, de receptor voor LPS, vertoont polymorfismen. Naargelang
van die polymorfismen kan een hoge dichtheid van LPS al dan niet
het optreden van allergie in een bevolking verminderen. Een
studie toont aan dat de consumptie van boerderijmelk sterker
beschermt tegen allergische aandoeningen bij kinderen die drager
zijn van het A-allel in CD14/-1721, dan bij kinderen die
homozygoot zijn voor allel G. Een mogelijke verklaring zou
kunnen zijn dat boerderijmelk de expressie van het CD14-gen
verhoogt. Die resultaten treden de hypothese bij die stelt dat
de negatieve correlatie tussen consumptie van boerderijmelk en
allergische aandoeningen gemedieerd wordt door aangeboren
immuunmechanismen die worden geactiveerd door CD14.
Maart 2008
Relatie tussen de leeftijd waarop wordt gestart met vast
voedsel, en eczeem, astma, allergische rhinitis en
overgevoeligheid voor voedsel en aerogene allergenen
(Pediatrics 2008 ; 121 : e44-e52. Zutavern A, Brockow I, Schaaf
B, von Berg A, Diez U, Borte M, Kraemer U, Herbarth O, H
Behrendt, Wichmann HE, Heinrich J.)
Bij analyse van de Duitse geboortecohorte LISA worden geen
aanwijzingen gevonden dat een later starten van vaste voeding op
de leeftijd van 6 in plaats van 4 maanden een preventief effect
zou hebben op astma, allergische rinitis en overgevoeligheid
voor voedsel en aerogene allergenen bij kinderen van 6 jaar. Wat
eczema betreft, zijn de gegevens niet eensluidend en kan niet
worden uitgesloten dat een laat starten van vast voedsel een
beschermend effect heeft. Voorzichtigheid is echter geboden bij
de interpretatie van een positieve correlatie tussen een laat
starten van vast voedsel en voedselallergie. Het is weinig
waarschijnlijk dat een laat starten met vast voedsel beschermt
tegen overgevoeligheid voor melk en voedsel.
Maart 2008
Borstvoeding en atopie: tegenstrijdige resultaten van een zeer
lange studie
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1051-7. Matheson MC, Erbas
B, Balasuriya A, Jenkins MA, Wharton CL, Tang ML, Abramson MJ,
Walters EH, Hopper JL, Dharmage SC.)
De Tasmanian Asthma Study is een studie die de deelnemers heeft
gevolgd van de leeftijd van 7 jaar tot de leeftijd van 44 jaar.
Op de leeftijd van 7 jaar was het risico op astma iets lager bij
de kinderen die enkel borstvoeding hadden gekregen, met een
maternele voorgeschiedenis van atopie dan bij de kinderen die
niet louter borstvoeding hadden gekregen (odds ratio 0,8). Maar
na de leeftijd van 7 jaar keerde het risico om en was het risico
op astma bij de kinderen die enkel borstvoeding hadden gekregen,
hoger op de leeftijd van 14 jaar (OR 1,46), 32 jaar (OR 1,84),
en 44 jaar (OR 1,57). Kinderen die enkel borstvoeding krijgen
van een moeder met atopie, lopen dus minder kans om astma te
krijgen voor de leeftijd van 7 jaar, maar na de leeftijd van 7
jaar lopen ze een hoger risico.
Maart 2008
Natuurlijk verloop van door IgE gemedieerde allergie voor melk:
langer dan gedacht
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1172-7. Skripak JM, Matsui
EC, Mudd K, Wood RA.)
Koemelkallergie is de frequentste vorm van allergie bij
zuigelingen en jonge kinderen en komt voor bij 2 tot 3% van de
bevolking. Deze studie heeft het natuurlijke verloop van
allergie voor koemelkproteïnen onderzocht bij 807 patiënten.
Het genezingspercentage was 19% op de leeftijd van 4 jaar, 42%
op de leeftijd van 8 jaar en 79% op de leeftijd van 16 jaar.
De patiënten met een persisterende allergie hadden op alle
leeftijden hogere specifieke IgE-titers tot de leeftijd van 16
jaar. Het samengaan van astma en allergische rinitis heeft
een slechte prognostische waarde. De prognose van
koemelkallergie in die populatie is dus slechter dan gewoonlijk
wordt gedacht.
Maart 2008
Sensibilisering voor voedsel en aerogene allergenen tijdens de
eerste 3 levensjaren
(J Allergy Clin Immunol 2007 ; 120 : 1166-71. Dean T, Venter C,
Pereira B, Arshad SH, Grundy J, Clayton CB, Higgins B.)
Longitudinale studies van sensibilisering voor allergenen
tijdens de kinderjaren zijn zeldzaam. Een onderzoek van kinderen
die vanaf de geboorte tot de leeftijd van 3 jaar werden gevolgd
met huidpriktests, toont aan dat de prevalentie van
overgevoeligheid voor aerogene allergenen 1,3%, 6,4% en 10,7%
bedroeg op de leeftijd van respectievelijk 1, 2 en 3 jaar. De
prevalentie van voedselallergie was respectievelijk 2,8%, 3,9%
en 3,7%. 29% van de kinderen die een positieve priktest hebben
op de leeftijd van een jaar, zal op de leeftijd van 2 jaar ook
overgevoelig zijn voor andere allergenen. Overgevoeligheid
voor melk en eieren is een predictor van overgevoeligheid voor
apennootjes op de leeftijd van 3 jaar (odds ratio 34,8).
Februari 2008
Natuurlijke geschiedenis van allergie voor eieren
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1413-7. Savage JH, Matsui
EC, Skripak JM, Wood RA.)
Allergie voor eieren is een zeer frequent probleem, dat voorkomt
bij 1 tot 2% van de kinderen. Er werd een retrospectieve studie
uitgevoerd bij patiënten met een allergie voor eieren die in een
referentiecentrum werden gezien. Kaplan-Meiercurven tonen aan
dat 4% van de patiënten zal genezen tegen de leeftijd van 4
jaar, 12% tegen de leeftijd van 6 jaar, 37% tegen de leeftijd
van 10 jaar en 68% tegen de leeftijd van 16 jaar. Patiënten
die allergisch blijven voor eieren, ontwikkelen een tolerantie,
maar die wordt trager verkregen dan vroeger werd gedacht.
Patiënten met een IgE hoger dan 50 kE/l hebben weinig kans om
tolerantie te ontwikkelen.
December 2007
Borstvoeding heeft geen preventief effect op allergie
(BMJ 2007 ; 335 : 815. Kramer MS, Matush L, Vanilovich I, Platt
R, Bogdanovich N, Sevkovskaya Z, Dzikovich I, Shishko G, Mazer
B.)
Een grote gerandomiseerde studie die in 31 kraamklinieken in
Belarus werd uitgevoerd in samenwerking met de epidemiologen van
de McGill University (Canada), betrof meer dan 13 000
moeder-kindkoppels. De studie heeft het verband onderzocht
tussen langdurige exclusieve borstvoeding en het risico op
allergie bij de kinderen. Langdurige exclusieve borstvoeding
blijkt kinderen niet te beschermen tegen astma, hooikoorts of
eczema op de leeftijd van 6,5 jaar en blijkt evenmin de
prevalentie van positieve priktests voor vijf geïnhaleerde
allergenen, met name huisstof, kattenharen, berkenpollen,
onkruid, schimmels (Alternaria), te verlagen.
Oktober 2007
De bacteriële stammen Acinetobacter lwoffii en Lactococcus
lactis die worden teruggevonden in stallen, beschermen sterk
tegen allergie
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1514-1521. Debarry J, Garn
H, Hanuszkiewicz A, Dickgreber N, Blümer N, von Mutius E, Bufe
A, Gatermann S, Renz H, Holst O, Heine H.)
Kinderen die opgroeien op een boerderij, vertonen minder atopie,
hooikoorts en astma dan kinderen van diezelfde leeftijd die in
een beschermde omgeving wonen. Een studie toont aan dat meerdere
bacteriële species in de stallen kunnen worden teruggevonden,
meer bepaald Acinetobacter lwoffii F78 en Lactococcus lactis
G121. Die kiemen werden onderzocht met verschillende
immunologische middelen. Daarbij is gebleken dat ze allergische
reacties kunnen verminderen bij muizen, zoogdiercellen in vitro
kunnen activeren en een programma van Th1-polarisering kunnen
inleiden in dendritische cellen. Die gegevens pleiten sterk voor
de hygiënehypothese die stelt dat een omgeving die veel
microbiologische structuren bevat, kan beschermen tegen de
ontwikkeling van allergie.
Oktober 2007
Klinische kenmerken van soja-allergie in Europa
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1489-96. Ballmer-Weber BK,
Holzhauser T, Scibilia J, Mittag D, Zisa G, Ortolani C,
Oesterballe M, Poulsen LK, Vieths S, Bindslev-Jensen C.)
Een Europese multicentrische studie heeft de klinische kenmerken
van soja-allergie in Europa onderzocht waarbij onder meer een
dosis-responscurve werd opgesteld uitgaande van dubbelblinde,
placebogecontroleerde provocatietests. De studie toont aan dat
een aantal patiënten met soja-allergie subjectief kunnen
reageren op een dosis van 0,21 mg sojaproteïnen en dat andere
patiënten objectief reageren op een dosis van 137,2 mg. De
klinische en immunologische basis van soja-allergie in Europa is
zeer complex, wat de diagnose van die vorm van allergie
bemoeilijkt. Vandaar ook dat het niet zo eenvoudig is patiënten
met soja-allergie advies te geven over de aanpak van het risico.
Oktober 2007
De bacteriële stammen Acinetobacter lwoffii en Lactococcus
lactis die worden teruggevonden in stallen, beschermen sterk
tegen allergie
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1514-1521. Debarry J, Garn
H, Hanuszkiewicz A, Dickgreber N, Blümer N, von Mutius E, Bufe
A, Gatermann S, Renz H, Holst O, Heine H.)
Kinderen die opgroeien op een boerderij, vertonen minder atopie,
hooikoorts en astma dan kinderen van diezelfde leeftijd die in
een beschermde omgeving wonen. Een studie toont aan dat meerdere
bacteriële species in de stallen kunnen worden teruggevonden,
meer bepaald Acinetobacter lwoffii F78 en Lactococcus lactis
G121. Die kiemen werden onderzocht met verschillende
immunologische middelen. Daarbij is gebleken dat ze allergische
reacties kunnen verminderen bij muizen, zoogdiercellen in vitro
kunnen activeren en een programma van Th1-polarisering kunnen
inleiden in dendritische cellen. Die gegevens pleiten sterk voor
de hygiënehypothese die stelt dat een omgeving die veel
microbiologische structuren bevat, kan beschermen tegen de
ontwikkeling van allergie.
Oktober 2007
Blootstelling aan omega 3- en omega 6-vetzuren tijdens de
eerste levensjaren heeft geen invloed op atopie op de leeftijd
van 5 jaar
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1438-44. Almqvist C,
Garden F, Xuan W, Mihrshahi S, Leeder SR, Oddy W, Webb K, Marks
GB, for the CAPS team.)
Een Zweedse cohortestudie, de Childhood asthma prevention study,
toont aan dat de plasmaspiegels van omega 3- en omega 6-vetzuren
gemeten na 18 maanden en na 3 en 5 jaar geen verband houden met
het bestaan van wheezing, eczema of atopie op de leeftijd van 5
jaar. Er werd geen verband vastgesteld tussen de blootstelling
aan vetzuren gemeten aan de plasmaspiegels, de voedselinname en
de inname van supplementen en de respiratoire of atopische
prognose. Volgens de auteurs heeft een voeding met veel
polyonverzadigde vetzuren de eerste levensjaren geen preventief
effect op atopie en astma.
September 2007
Impact van weinig borstvoeding op astma, coeliakie en
obesitas: een nieuwe statistische methode
(Arch Dis Child. 2007 ; 92 : 483-5. Akobeng AK, Heller RF.)
Onvoldoende borstvoeding zou gelinkt kunnen zijn aan meerdere
kinderziekten. Bij een systematisch review van de literatuur
werden gegevens teruggevonden waarop de auteurs een nieuwe
statistische methode hebben toegepast: population impact number
of eliminating a risk factor over a time period of PIN-ER-t. De
resultaten zijn dat in een populatie van bijna 600 000 kinderen
die in 2002 zijn geboren in Engeland en Wales, 33 100 gevallen
van astma, 2655 gevallen van coeliakie en 13 639 gevallen van
obesitas zouden kunnen worden voorkomen over een periode van 7
tot 9 jaar door alle pasgeborenen borstvoeding te geven. Die
berekening gebaseerd op de incidentie van chronische ziekten
impliceert dat het geringe percentage borstvoeding hoge kosten
met zich meebrengt voor de volksgezondheid.
September 2007
Het gebruik tijdens de kinderjaren van een probioticum,
Lactobacillus rhamnosus, verlaagt het risico van eczeem op de
leeftijd van 7 jaar
(J Allergy Clin Immunol. 2007; 119:1019-21. Kalliomäki M,
Salminen S, Poussa T, Isolauri E.)
De groep van Erika Isolauri heeft een dubbelblinde,
placebogecontroleerde studie uitgevoerd die het effect heeft
onderzocht van toediening van Lactobacillus rhamnosus aan
moeders en hun kinderen tijdens de eerste 6 levensmaanden. Een
herevaluatie op de leeftijd van 7 jaar leert dat het cumulatieve
risico van ontwikkeling van eczema tijdens de eerste 7
levensjaren significant lager was in de Lactobacillus GG-groep
(42,6%) dan in de placebogroep (66,1%, RR 0,64).
September 2007
September 2007
Antistoffen van de moeder in de moedermelk beschermen het
kind tegen enterovirusinfecties
(Pediatrics. 2007 ; 119 : 941-6. Sadeharju K, Knip M,
Virtanen SM, Savilahti E, Tauriainen S, Koskela P, Akerblom HK,
Hyoty H, and the Finnish TRIGR Study Group.)
Enterovirusinfecties zijn frequent bij zuigelingen en kunnen
ernstige complicaties veroorzaken. Een Finse studie toont aan
dat hun frequentie 43% is bij zuigelingen van minder dan een
jaar en 15% bij de moeders tijdens de zwangerschap. Baby's die
gedurende meer dan 2 weken uitsluitend borstvoeding hadden
gekregen, vertoonden op de leeftijd van een jaar minder
enterovirusinfecties dan baby's die minder dan twee weken
borstvoeding hadden gekregen (0,38 versus 0,59 infecties per
kind). Een hoge titer antistoffen in het serum en de moedermelk
gaat gepaard met een daling van de frequentie van infecties. Dat
effect wordt enkel gezien als het kind moedermelk heeft gekregen
gedurende meer dan twee weken.
September 2007
Het risico van ontwikkeling van voedselallergie bij
prematuren of baby's met een laag geboortegewicht
(Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1203-9. Liem JJ,
Kozyrskyj AL, Huq SI, Becker AB.)
De doorlaatbaarheid van de darmen is hoger bij kinderen met een
laag geboortegewicht dan bij voldragen kinderen. Dat zou een
invloed kunnen hebben op de incidentie van voedselallergie bij
die kinderen. Een evaluatie van de Manitoba birth cohort van
1995 toont aan dat 592 (4,23%) van de 13 980 kinderen een
voedselallergie hebben en dat bij 316 kinderen (2,26%)
adrenaline werd voorgeschreven. De zwangerschapsleeftijd en het
geboortegewicht hadden geen significant effect op het risico van
voedselallergie. In de praktijk lijken vroeggeboorte en een laag
geboortegewicht het risico van voedselallergie tijdens de
kinderjaren niet sterk te verhogen.
Het advies in het Verenigd Koninkrijk aan zwangere vrouwen
om pindanootjes te mijden heeft weinig impact
(Allergy Clin Immunol 2007 ; 119 : 1197-202. Hourihane JO,
Aiken R, Briggs R, Gudgeon LA, Grimshaw KEC, DunnGalvin A,
Roberts SR.)
In juni 1999 heeft de Britse regering atopische vrouwen
aangeraden om geen pindanootjes te eten tijdens de zwangerschap
en de periode van borstvoeding. Onderzoek van een cohorte van
moeder-kindparen toont aan dat de prevalentie van
overgevoeligheid voor pindanootjes in die cohorte 2,8% bedraagt
en dat 1,8% van de Britse kinderen die voor het eerst naar
school gaan, allergisch is. Het is niet duidelijk of dat advies
enig (positief of negatief) effect heeft gehad op de prevalentie
van allergie voor pindanootjes bij kinderen van 4 tot 5 jaar
tussen 2003 en 2005.
Juli 2007
Louter borstvoeding vermindert het aantal ziekenhuisopnames
wegens diarree of infectie
(Pediatrics. 2007 ; 119 : e837-e842. Quigley MA, Kelly YJ,
Sacker A.)
De gegevens van de United Kingdom Millenium Cohort Study (geboortes
in de jaren 2000 tot 2002) tonen aan dat 70% van de zuigelingen
borstvoeding heeft gekregen, dat 34% borstvoeding heeft gekregen
tot de leeftijd van 4 maanden en dat 1,2% enkel borstvoeding
heeft gekregen tot de leeftijd van 6 maanden. Op de leeftijd van
8 maanden was 12% van de zuigelingen in het ziekenhuis
opgenomen. Loutere borstvoeding beschermde tegen
ziekenhuisopname wegens diarree en ondersteluchtweginfectie in
vergelijking met geen borstvoeding. Gedeeltelijke borstvoeding
had een zwakker effect. Per extra maand louter borstvoeding zou
53% van de ziekenhuisopnames wegens diarree kunnen worden
voorkomen.
Juni 2007
Borstvoeding verbetert de latere sociale beweeglijkheid: Boyd
Orr -cohorte
(Arch Dis Child. 2007 ; 92 : 317-21. Martin RM, Goodall SH,
Gunnell D, Davey Smith G.)
In Engeland en Schotland wordt sinds 1937 een historische
cohorte gevolgd. Na een follow-up van 60 jaar van de 3182
personen die deelnemen aan de Boyd Orr Survey of Diet and Health
in Prewar Britain 1937-39, konden 1414 respondenten worden
geanalyseerd. De prevalentie van borstvoeding in het begin van
het leven verschilde naargelang het district van 45 tot 86%.
Borstvoeding ging gepaard met een hogere kans om op te klimmen
op de sociale ladder. Dat effect kon niet worden verklaard door
andere predictoren. Maar de auteurs kunnen niet uitsluiten dat
residuele of niet-gemeten vertekenende factoren een rol zouden
kunnen spelen.
Juni 2007
Onderzoek naar ADHD wint Nationale Kinderkroon 2007
Kinderjury van Stichting Kinderpostzegels Nederland reikt
onderscheiding uit aan Stichting Kind en Gedrag
Amsterdam, 29 mei 2007 – De Nationale Kinderkroonjury 2007 heeft
het onderzoek naar ADHD van Stichting Kind en Gedrag tot winnaar
van de Nationale Kinderkroon 2007 uitgeroepen. Deze
onderscheiding wordt jaarlijks uitgereikt aan het beste project
dat Kinderpostzegels financieel steunt. Het Koninklijk Instituut
voor de Tropen vormde dit jaar het decor voor de feestelijke
bekendmaking. De publieksprijs ging naar het boek over
kindermishandeling “Wij hebben levenslang” van Daniëlle Vogels
in samenwerking met het Advies en Meldpunt Kindermishandeling
Gelderland.
Dieet reduceert 60% van ADHD gevallen
Kinderen met ADHD hebben vaak grote gedragsproblemen, zowel
thuis als op school. De exacte oorzaak van deze stoornis is
onbekend. Stichting Kind en Gedrag maakt onderzoek mogelijk naar
de invloed van voeding op ADHD. Kinderen die meedoen aan dit
onderzoek volgen vijf weken lang een speciaal dieet. Door het
ADHD Research Centrum wordt onderzocht of het ADHD-gedrag
hierdoor vermindert. Ruim 60% van de kinderen die tot nu toe dit
dieet hebben gevolgd, vertoont grote gedragsverbeteringen: bij
deze kinderen is geen sprake meer van ADHD. Door dit onderzoek
kan voorkomen worden dat kinderen met ADHD ten onrechte
medicijnen moeten gebruiken.
Juryoordeel
Om tot een goed juryoordeel te komen hebben de twee juryteams de
zes genomineerde projecten zelf bezocht. “Alle projecten waren
erg indrukwekkend. Ze verdienen het eigenlijk allemaal om te
winnen. Maar dit project heeft het echt heel erg goed gedaan.
Vóór de kinderen het dieet volgden hadden ze problemen thuis en
op school, maar nu gaat het een heel stuk beter met ze. Ze
hoeven niet eens meer medicijnen te gebruiken! De kinderen
merken zelf ook goed dat het helpt, ze vinden het daardoor
minder vervelend dat ze sommige dingen niet mogen eten. De
kinderen hebben hier ook in de toekomst heel erg veel aan.”
Nationale Kinderkroon
Kinderpostzegels steunt ieder jaar honderden projecten in
binnen- en buitenland voor kinderen in moeilijke omstandigheden.
Dankzij de Nationale Kinderkroon kunnen kinderen die aan de
Kinderpostzegelactie hebben meegedaan, heel direct in aanraking
komen met enkele Nederlandse initiatieven. De juryleden, van
basisscholen uit Mildam en Barendrecht, zijn geselecteerd
dankzij hun enthousiaste en originele sollicitatiebrieven. Naast
de vakjuryprijs wordt jaarlijks de publieksprijs uitgereikt.
Alle kinderen in Nederland konden de afgelopen weken hun stem
uitbrengen op hun favoriete project via de website van Kidsweek
en Kidsweek Junior (www.kidsweek.nl/kinderkroon). De
genomineerde projecten staan in het teken van het jaarthema ‘Een
Veilig Thuis’. Ze leveren elk op hun eigen manier een bijzondere
bijdrage aan een veilige leefomgeving voor kinderen. Kijk voor
meer informatie over de Nationale Kinderkroon en Stichting
Kinderpostzegels Nederland op
www.kinderpostzegels.nl.
Oktober 2006
Kruisallergie tussen voedsel en berkenpollen: koken schakelt
het allergene vermogen niet volledig uit
(J. Allergy Clin. Immunol. 2006 ; 118 : 242-9, Bohle B. et
al.)
Het belangrijkste allergeen van de berk Bet V1 gaat
kruisreacties aan met bepaalde voedselallergenen, die een oraal
allergisch syndroom kunnen veroorzaken. En wat als die
voedingsmiddelen worden gekookt? Diverse recombinante antigenen
van appels, selderij en wortelen (Mal d 1, Api g 1, Dau c 1)
werden geïncubeerd bij stijgende temperaturen. In vitro
verliezen die allergenen hun vermogen om IgE te binden, maar ze
blijven in staat Bet V1-specifieke T-lymfocyten te activeren. In
vivo verliezen ze hun vermogen om een oraal syndroom uit te
lokken, maar soms kunnen ze eczemaletsels verergeren. Men mag er
dus niet zomaar van uitgaan dat gekookt voedsel zijn allergene
reactiviteit verliest.
Oktober 2006
Borstvoeding vermindert het aantal ziekenhuisopnames wegens
infectie tijdens het eerste levensjaar.(Pediatrics 2006 ; 118 :
92-99, Talayero JMP et al.)
Een Spaanse studie bij 1385 zuigelingen toont aan dat 85% van de
moeders borstvoeding geeft bij ontslag uit de kraamkliniek. Dat
percentage daalt tot 52% na 3 maanden, 41% na 4 maanden en 15%
na 6 maanden. De gemiddelde leeftijd bij opname in het
ziekenhuis wegens infectie tijdens het eerste levensjaar was
gemiddeld 4,1 maanden. De studie leert dat elke maand langer
borstvoeding de frequentie van ziekenhuisopanme zou kunnen
verlagen met 30%. Met dergelijke berekeningen kan worden
becijferd dat 100% borstvoeding bij kinderen van 4 maanden 56%
van de ziekenhuisopnames bij kinderen jonger dan 1 jaar zou
kunnen voorkomen.
April 2006
Prebiotica en symbiotica: twee veelbelovende producten bij de
behandeling van atopische dermatitis bij kinderen ouder dan twee
jaar
(Allergy 2006 ; 61 : 431-7, Passeron T., Lacour J.P., Fontas
E., Ortonne J.P.)
Er werd een prospectieve gerandomiseerde dubbelblinde studie
uitgevoerd bij kinderen ouder dan 2 jaar met een atopische
dermatitis met een SCORAD >15 (Scoring Atopic Dermatitis). Ze
kregen 3-maal per dag gedurende 3 maanden een symbioticum
bestaande uit Lactobacillus rhamnosus plus prebiotica of
prebiotica alleen. In de groep die het symbioticum kreeg,
bedroeg de gemiddelde SCORAD 39,9 voor behandeling en 20,7 na 3
maanden. In de groep die alleen prebiotica kreeg, bedroeg de
SCORAD 39,3 voor behandeling en 24,0 na 3 maanden. Symbiotica
blijken dus net zoals prebiotica de tekenen van atopische
dermatitis bij kinderen ouder dan 2 jaar significant te
verminderen, zonder echt verschil tussen beide.
April 2006
Volledige borstvoeding gedurende meer dan 6 maanden beschermt
tegen luchtweginfecties
(Pediatrics 2006 ; 117 : 425-32, Chantry CJ, Howard C.R.,
Auinger P.)
De American Academy of Pediatrics raadt aan zuigelingen de
eerste zes maanden van hun leven enkel borstvoeding te geven.
Dat heeft een duidelijk effect op maag-darminfecties, maar het
effect op luchtweginfecties is minder duidelijk. Een secundaire
analyse van de gegevens van de National Health and Nutrition
Examination Survey III leert dat zuigelingen die gedurende 4 tot
minder dan 6 maanden lang enkel borstvoeding kregen, een hoger
risico van pneumonie liepen dan de zuigelingen die langer dan 6
maanden enkel borstvoeding kregen: 6,5% versus 1,6%. Na
correctie voor demografische variabelen en blootstelling aan
sigarettenrook werd een significant hoger risico van pneumonie (odds
ratio 4,27) en van meer dan 3 episoden van acute
middenoorontsteking (OR 1,95) gemeten bij de zuigelingen die
minder dan 6 maanden enkel borstvoeding kregen. Die studie
bevestigt het belang van louter borstvoeding gedurende meer dan
6 maanden in de preventie van luchtweg- en NKO-infecties.
Maart 2006
TBC helpt tegen allergie
Kinderarts C. Obihara ontdekte na onderzoek in Zuid-Afrika
dat kinderen met een tuberculose-infectie juist minder
allergische symptomen hadden. Uit zijn onderzoek onder 841
kinderen van zes tot veertien jaar uit twee arme buurten van
Kaapstad bleek dat kinderen met een tbc-infectie minder reacties
hadden op huidtesten voor allergieën dan kinderen die niet waren
geïnfecteerd.
Volgens de onderzoekers stimuleren de infecties met tbc en
parasieten als darmwormen het afweersysteem van de kinderen.
Ook borstvoeding helpt, stelde Obihara. Kinderen die langer dan
zes maanden borstvoeding kregen, hadden minder allergieën dan
kinderen die korter borstvoeding kregen. Hoe langer de
borstvoeding, hoe minder allergieën. Maar dat effect was niet
terug te vinden bij kinderen van ouders met een allergie.
Obihara constateerde tevens dat roken van de moeder tijdens de
zwangerschap wel leidt tot meer astma, maar niet tot meer
hooikoorts of eczeem. Met zijn onderzoek bevestigt Obihara de
zogenoemde hygiënehypothese. Deze stelt dat allergieën toenemen
als kinderen minder infectieziekten doormaken. Dat zou de
toename van allergieën in de westerse wereld moeten verklaren.
Februari 2006
Diagnose van melkallergie met een kant-en-klare patchtest (Diallertest®)
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 1321-6, Kalach N.)
Een verkennende studie heeft bij 49 kinderen de betrouwbaarheid
onderzocht van een kant-en-klare patchtest bij de diagnose van
allergie voor koemelkproteïnen bij kinderen. Daarbij wordt op de
rug van het kind een gesloten kamer geplaatst die een mengsel
van melkpoeder en melkpeptiden bevat. De patch wordt na 48 uur
verwijderd. 24 uur later wordt het resultaat afgelezen. Die
diagnostische test heeft een hoge gevoeligheid (76%) en
specificiteit (93,8%) en leent zich bijzonder goed voor de
diagnose van de niet IgE-afhankelijke aandoeningen die meespelen
bij melkallergie tijdens het eerste levensjaar. Daarom wordt die
test aanbevolen bij gastro-intestinale, cutane en respiratoire
verschijnselen die doen denken aan allergie voor melk. Er werden
geen plaatselijke of algemene bijwerkingen waargenomen.
Februari 2006
Allergie voor vis: verschillen in kruisreacties op
parvalbumines naargelang de soort
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 1314-20, Van Do T.)
Patiënten die allergisch zijn voor vis, kunnen toch sommige
vissoorten verdragen, ook al zijn ze allergisch voor andere. Een
studie onderzocht de kruisreacties tussen 9 eetbare vissen:
kabeljauw, zalm, schelvis, makreel, tonijn, haring, zeewolf,
heilbot en schol. De eiwitten van kabeljauw, zalm, schelvis,
haring en zeewolf blijken de sterkste kruisallergenen te
bevatten, terwijl heilbot, schol, tonijn en makreel het minst
allergeen zijn. Die laatste zullen waarschijnlijk door een
groter aantal patiënten met visallergie worden verdragen.
Februari 2006
Borstvoeding verlaagt het risico van coeliakie.
(Arch. Dis. Child 2006 ; 91 : 39-43, Akobeng A.K.)
Meerdere studies hebben het effect van borstvoeding op het
risico van coeliakie onderzocht. Met uitzondering van een kleine
studie wijzen alle studies erop dat langere borstvoeding gepaard
gaat met een lager risico van ontwikkeling van coeliakie. De
meta-analyse toont aan dat het risico van coeliakie significant
lager is bij kinderen die borstvoeding kregen op het ogenblik
dat een voeding werd gestart die gluten bevatte (odds ratio
0,48), dan bij de kinderen die toen geen borstvoeding kregen.
Februari 2006
Duur van borstvoeding en incidentie van type 2-diabetes bij
de moeder.
(JAMA 2005 ; 294 : 2601-10, Stuebe A.M.)
Wat is het verband tussen borstvoeding en de latere incidentie
van type 2-diabetes bij moeders die borstvoeding geven? Een
prospectieve observatiestudie van type 2-diabetes in de Nurses'
Health study (NHS) toonde 5145 gevallen/1 239 709 persoonjaren
tussen 1986 en 2002. Tijdens de NHS II tussen 1989 en 2001
bedroeg dat cijfer 1132 gevallen/778 876 persoonjaren. Bij de
vrouwen die een kind ter wereld hebben gebracht, verlaagt
langere borstvoeding het risico van type 2-diabetes. Elke extra
jaar borstvoeding verlaagde het risico van diabetes met 15% in
de NHS-studie en met 14% in de NHS II-studie. Langere
borstvoeding blijkt dus de incidentie van type 2-diabetes bij
vrouwen te verlagen.
Januari 2006
Een allergeenarme voeding van de moeder heeft een gunstig
effect op kolieken bij zuigelingen die borstvoeding krijgen.
(Pediatrics 2005 ; 116 : 709-715, Hill D.J.)
David Hill heeft in Australië een gerandomiseerde gecontroleerde
studie uitgevoerd bij kinderen die borstvoeding kregen en
kolieken vertoonden. In de actieve arm van de studie mochten de
moeders geen koemelkeiwitten, eieren, pindanootjes, noten,
graan, soja en vis eten; in de andere groep bleven de moeders
die voedingsmiddelen eten. Bij evaluatie na 8 en 9 dagen was de
incidentie van kolieken significant lager bij de zuigelingen van
moeders uit de actieve arm: 74% versus 37% (daling van het
absolute risico met 37%). Ook de tijd dat de kinderen weenden
tijdens een periode van 48 uur, was duidelijk lager in die
groep. Dat bevestigt dat kolieken bij zuigelingen minstens ten
dele toe te schrijven zijn aan voedselallergie.
Januari 2006
Klinische evolutie en prognose van koemelk-eiwit allergie:
het IgE-statuut is van cruciaal belang
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 869-75, Saarinen K.M.)
In een prospectieve populatiestudie bij 118 Finse kinderen met
koemelk-eiwit allergie vertoonde 73% van de kinderen een door
IgE gemedieerde allergie. Bij 15% van die kinderen hielden de
symptomen aan na de leeftijd van 8,6 jaar, terwijl alle kinderen
met een niet door IgE gemedieerde allergie melk verdroegen op de
leeftijd van 5 jaar. Risicofactoren van persisteren van
melkallergie op de leeftijd van 2 jaar waren sensibilisatie op
de leeftijd van 1,6 jaar (odds ratio 6,3), urticaria bij een
diagnostische provocatietest (OR 3,3), blootstelling aan
koemelkeiwitten in de kraamkliniek (OR 3,2) en vroege
sensibilisatie voor eieren (OR 2,8). Op de leeftijd van 8,6 jaar
vertoonden de kinderen met een IgE-afhankelijke koemelkallergie
vaker astma (31% vs. 13%, p<0,01) rinoconjunctivitis (66% vs.
21%, p<0,01), atopisch eczeem (81% vs. 26%, p< 0,001) en
overgevoeligheid voor een ander allergeen (88% vs. 39%, p<0,001)
dan de controlekinderen. Volgens de auteurs blijft een door IgE
gemedieerde allergie bestaan op schoolgaande leeftijd en vormt
ze een risicofactor van andere tekenen van atopie, terwijl niet
door IgE gemedieerde allergie een goedaardige ziekte zou zijn
bij zuigelingen.
Januari 2006
Anafylactische reacties bij kinderen : een Duitse enquête
(Allergy 2005 ; 60 : 1440-5, Mehl A.)
Door middel van vragenlijsten werd een onderzoek uitgevoerd naar
de uitlokkende factoren, de klinische reacties, de plaats van
optreden en de wijze van behandeling van ernstige anafylactische
reacties bij Duitse kinderen jonger dan 12 jaar. In totaal
betrof het 1403 gevallen van anafylaxie. De mediane leeftijd van
de kinderen was 5 jaar; 58% waren jongens. Meestal (58%) heeft
de reactie zich thuis voorgedaan. De frequentste oorzakelijke
allergenen waren voedsel (57%), gevolgd door insectensteken
(13%) en desensibilisatie (12%). In 8% van de gevallen kon de
oorzaak niet worden achterhaald. Pindanootjes en nootjes waren
de frequentste alimentaire oorzaken (telkens 20%). Er heeft zich
geen enkele fatale reactie voorgedaan.
November 2005
De juiste plaats van gehydrolyseerde babyvoeding in de
preventie van voedselallergie
(Arch. Pediatr. Adolesc. Med. 2005 ; 159 : 810-6, Hays T.)
In de Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine werd een
kritisch naslagwerk gepubliceerd van de literatuur over
preventie van allergie door gehydrolyseerde babyvoeding. De
review betrof 9 studies die waren uitgevoerd met een sterk
gehydrolyseerde voeding, 12 met een partieel gehydrolyseerde
voeding bij een hoogrisicopopulatie en 1 met een partieel
gehydrolyseerde voeding bij niet-geselecteerde baby's.
Gewoonlijk werden die voedingen vergeleken met borstvoeding, een
voeding op basis van koemelk of sojamelk of een combinatie
daarvan. De cumulatieve incidentie van atopische ziekten op de
leeftijd van 12 tot 60 maanden was steeds lager bij
hoogrisicokinderen die een volledig of gedeeltelijk
gehydrolyseerde voeding kregen, dan bij de kinderen die een
voeding op basis van koemelk kregen. Er is geen enkele studie
die aantoont dat het risico van allergie stijgt bij gebruik van
gehydrolyseerde voeding. De auteurs raden een dergelijke voeding
aan bij familiaire antecedenten van allergie.
November 2005
Associatie tussen chronische urticaria en coeliakie
(Pediatr. Allergy Immunol. 2005 ; 16 : 428-32, Caminiti L.)
Coeliakie en chronische urticaria zijn waarschijnlijk toe te
schrijven aan immunologische mechanismen, maar de associatie van
beide wordt niet veel beschreven. In een casus-controlestudie
werd coeliakie gediagnosticeerd bij 5% van de kinderen met
chronische urticaria en bij 0,67% van de controlepersonen. Bij
de 4 kinderen met urticaria en coeliakie resulteerde een
glutenvrij dieet in een volledige genezing van de urticaria na 5
tot 10 weken, terwijl de serummerkers van coeliakie langer nodig
hadden om te verdwijnen (5 tot 9 maanden).
November 2005
Het vet- en caloriegehalte van moedermelk stijgt bij
langdurige borstvoeding
(Pediatrics 2005 ; 116 : 432-435, Mandel D.)
Hoeveel vet en calorieën bevat moedermelk bij langdurige
borstvoeding? Deze studie heeft 34 gezonde moeders die
borstvoeding gaven gedurende meer dan een jaar (maximum 39
maanden), vergeleken met moeders die borstvoeding gaven
gedurende 2 tot 6 maanden. De gemiddelde vetconcentratie (“crematokriet”)
bedroeg 7,36% in de groep die borstvoeding gaf gedurende enkele
maanden, en 10,65% in de groep die heel lang borstvoeding gaf.
Er was ook een verschil in de gemiddelde hoeveelheid calorieën:
respectievelijk 3103 kJ/l en 3183 kJ/l. Als de borstvoeding
langer duurt dan een jaar, neemt het vet- en caloriegehalte van
de moedermelk dus duidelijk toe.
November 2005
Borstvoeding verlaagt de kans op eczema tijdens de
kinderjaren
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 657-61, Kull I.)
Vele studies hebben het verband onderzocht tussen borstvoeding
en het optreden van allergische verschijnselen. Bij onderzoek
van 4089 kinderen is aangetoond dat louter borstvoeding
gedurende meer dan 4 maanden het risico van eczema op de
leeftijd van 4 jaar verlaagt (OR 0,78), ongeacht de combinatie
met astma, overgevoeligheid voor frequente allergenen of
allergie bij de ouders. Het risico daalde nog meer bij kinderen
bij wie het eczema begonnen was tijdens de eerste 2 levensjaren
en nog aanwezig was op de leeftijd van 4 jaar. Borstvoeding had
ook een gunstig effect bij kinderen met vroegtijdig eczema
(ongeacht of het eczema al dan niet aanhield) gevolgd door astma
of vroegtijdig astma (ongeacht of het astma al dan niet
aanhield) gevolgd door eczema op de leeftijd van 4 jaar (OR
0,48). Borstvoeding gedurende minstens 4 maanden blijkt dus het
risico van eczema en ook van allergische evolutie tot de
leeftijd van 4 jaar te verminderen!
November 2005
Voedselallergie: geïnduceerde orale tolerantie zou eerder van
tijdelijke aard zijn
(Allergy 2005 ; 60 : 1320-2, Rolinck-Werninghaus C.)
De standaardbehandeling van voedselallergie, zijnde eliminatie
van het betrokken voedingsmiddel, kent een veelbelovende
evolutie: inductie van specifieke orale tolerantie door
dagelijkse inname van een kleine hoeveelheid van het
oorzakelijke voedingsmiddel. Een studie bij 3 patiënten toont
aan dat nadat een zekere tolerantie werd verkregen voor beperkte
hoeveelheden melk of ei, er opnieuw symptomen verschenen als ze
na een eliminatiedieet van 2 maanden onderworpen werden aan een
provocatietest. Die orale tolerantie leidt dus volgens de
auteurs niet tot een definitief verdwijnen van de
voedselallergie, maar eerder tot een tijdelijke tolerantie.
November 2005
Gunstige effecten van een probioticum op atopische dermatitis
(Arch. Dis. Child. 2005 ; 90 : 892-7, Weston S.)
Een studie heeft het effect onderzocht van een probioticum,
Lactobacillus fermentum, op atopische dermatitis bij kinderen
van 6 tot 18 maanden met een matig ernstige tot ernstige
atopische dermatitis. De index van ernst (SCORAD) verminderde
significant in de groep die het probioticum kreeg, maar niet in
de controlegroep. Supplementen van het probioticum Lactobacillus
fermentum, VRI-003 PCC, hebben dus een gunstig effect bij
atopische dermatitis.
Februari 2005
Erasmus MC onderzoekt effecten probiotica bij koemelkallergie
Kunnen probiotica koemelkallergie verminderen? Onderzoekers
van Erasmus MC - Sophia zoeken naar een antwoord op deze vraag,
door bij zuigelingen niet-ziekmakende bacteriën toe te voegen
aan de voeding. De voorlopige resultaten wijzen uit, dat de
allergie door middel van probiotica na een half jaar verdwenen
kan zijn.
Koemelkallergie komt veel voor en kan allerlei klachten geven.
Niet alleen direct, maar ook later. Koemelkallergie kan zich op
verschillende manieren presenteren. Buikklachten, huidklachten
en luchtwegklachten, maar ook een slechte groei kunnen uitingen
van koemelkallergie zijn. Kinderen met een koemelkallergie
kunnen in veel gevallen na enkele jaren koemelk weer verdragen.
Meerdere studies hebben echter aangetoond dat kinderen met een
koemelkallergie vaker astma en andere vormen van allergie
ontwikkelen, soms zelfs jaren nadat de koemelkallergie is
verdwenen.
Allergische aandoeningen zijn de laatste 25 jaar sterk
toegenomen in de Westerse wereld. Dit wordt in verband gebracht
met de toegenomen hygiëne, waardoor er minder contact is met
micro-organismen (bacteriën en virussen). Het afweersysteem van
jonge kinderen heeft dit contact waarschijnlijk nodig om te
leren wat goed is en wat ziekmakers zijn. Bij gebrek aan
stimulatie door deze micro-organismen leert het afweersysteem
minder goed en kan daardoor allergisch reageren op bijvoorbeeld
koemelk.
Niet-ziekmakende bacteriën zijn van belang bij het leerproces
van het afweersysteem en hebben mogelijk invloed op de
ontwikkeling van allergische aandoeningen. Deze "goede"
bacteriën zijn toe te voegen aan de voeding van zuigelingen om
daarmee het afweersysteem te stimuleren. Deze bacteriën komen
normaal ook voor in de darm; ze worden probiotica genoemd.
Kinderen uit de hele regio Zuid-West Nederland tot de leeftijd
van 6 maanden met een mogelijke koemelkallergie kunnen voor dit
onderzoek aangemeld worden. Alle consulatiebureaus en
kinderafdelingen van ziekenhuizen zijn van dit onderzoek op de
hoogte. Ouders die denken dat hun kind een koemelkallergie heeft
en/of meer willen weten over dit onderzoek kunnen daarvoor de
consultatiebureauarts of wijkverpleegkundige benaderen. De
onderzoekers zijn bereikbaar op 010 4636946 of via kameel@erasmusmc.nl).
Knippen van amandelen niet effectief (Volkskrant 10
september 2004)
Het weghalen van de amandelen is bij de meeste kinderen die
worden geopereerd weinig effectief. Zij hebben na de ingreep
niet minder gezondheidsklachten dan kinderen die niet worden
geopereerd. Alleen kinderen met ernstige keelklachten hebben wel
baat bij een operatie. Dit blijkt uit een onderzoek van het UMC
Utrecht onder driehonderd kinderen. De verwijdering van de keel
en neus-amandelen is een van de meest voorkomende operaties bij
kinderen. Bij kinderen die ademhalingsproblemen in de slaap
hebben is een operatie wel zinvol. Bij de meeste kinderen met
milde klachten lijkt afwachten de beste optie.
Overgewicht door bijvoeden (Algemeen Dagbad 5 maart 2004)
Het gebruik van flesvoeding naast moedermelk bij baby's
leidt tot vetopslag die op latere leeftijd kan leiden tot
vetzucht Dat blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit
Groningen. Volgens de wetenschappers hangen de voedingsgewoonten
van de baby nauw samen met het ontstaan van chronische
voedingsziekten op latere leeftijd zoals overgewicht of
diabetes. Factoren zoals aanleg, calorierijke voeding en gebrek
aan lichaamsbeweging vormen niet de volledige verklaring voor
aandoeningen zoals obesitas (vetzucht).
Dieet voor drukke kinderen (Algemeen Dagblad, 5 maart 2004)
Wie er achter wil komen of bij zijn kind een relatie tussen
ADHD en voeding bestaat, moet een lange weg bewandelen, maar
staat een grote beloning te wachten. Dat is de kern van het
betoog van onderzoeker Lidy Pelsser van het onderzoekscentrum
voor hyperactiviteit en ADHD in Eindhoven.
Het kind moet eerst vier weken een streng dieet volhouden. Als
het daar goed op reageert en geen gedragsproblemen meer vertoont
komt daar elke week weer een voedingsmiddel bij. Verandert het
gedrag in negatieve zin, dan is het kind daar overgevoelig voor.
In 60% van de gevallen kan er een relatie zijn tussen dieet en
gedrag.
Kinderen waarbij een relatie is aangetoond is een enorme
gedragsverandering merkbaar. Ze voldoen niet meer aan de
criteria voor ADHD.
Het dieet is vier weken streng, maar als het werkt wordt het
direct uitgebreid. Na een jaar blijven er maar vier of vijf
dingen over die ze niet mogen hebben. Medicijngebruik is
jarenlang nodig en leidt niet tot continu rustig gedrag.
Bovendien halen medicijnen niet de oorzaak weg.
www.adhdenvoeding.nl
of Lidy Pelsser 040-2488393
Allergenen op etiket (Algemeen Dagblad, 7 april 2004)
In de toekomst moeten gangbare allergenen zoals gluten,
melk, soja, ei, pinda, noten, vis, schaal en schelpdieren,
mosterd, sesam, sulfiet en afgeleide stoffen worden vermeld op
het etiket van levensmiddelen. Dit vindt het wetenschappelijke
panel voor dieetproducten, voedsel en allergieën van de Europese
Voedsel en waren Autoriteit (EFSA), dat de Europese commissie
hierover adviseert. Het panel oordeelt dat er voldoende bewijs
is om verplichte vermelding van deze ingrediënten te
rechtvaardigen. Met het oog op veranderende eetgewoontes, nieuwe
productietechnieken en nieuwe ontdekkingen zal de lijst continu
moeten worden bijgewerkt.
Muizen met allergie na griep ondergraven hygiënehypothese (NRC,
maart 2004)
Muizen die griep hebben gehad blijken gevoelig te zijn voor
allergenen in de luchtwegen. Volgens de breed aangehangen
hygiënehypothese zouden zij juist beschermd moeten zijn tegen
stoffen die allergische reacties oproepen. Dit onverwachte
resultaat is het gevolg van een nieuw type immuunreactie dat
onderzoekers van Stanford University in Californië hebben
ontdekt. Hun ontdekking zal het debat over de hygiënehypothese
opnieuw weer doen oplaaien (Nature Immunologie, maart; online 15
feb)
De hygiënehypothese wil verklaren waardoor in westerse landen
het aantal allergische kinderen de laatste decennia zo toeneemt.
Dit zou komen door de toegenomen hygiëne, meer gebruik van
antibiotica en de hoge vaccinatiegraad. Kinderen maken daardoor
minder infecties door, wat de kans op allergie vergroot. Deze
veronderstelling steunt op de waarneming dat kinderen die vaak
met bacteriën en virussen in aanraking komen (de jongste
kinderen van grote gezinnen, kinderen die naar de crèche gaan of
op een boerderij opgroeien) minder vaak allergisch zijn.
Edelweiss zonverzorging van Weleda (maart 2004)
Weleda is op de markt gekomen met een nieuwe serie
zonnebrandmiddelen. Ideaal voor baby's, kinderen en volwassen.
Het voordeel van deze zonnecrème is dat het geen chemische
filters bevat waar sommige mensen allergisch voor kunnen zijn.
Door gebruik van deze zonnecrème voorkom je een allergie voor
chemische UVA en UVB filters. Ook voor een gevoelige huid is
deze zonverzorging prettig. Het bevat geen synthetische
conserveringsmiddelen. De natuurlijke pigmenten zinkoxide en
titaandioxide reflecteren UVA- en UVB straling. Verkrijgbaar in
een zonnecrème factor 20 en een Zonnelotion factor 15.
Voorlopige bevindingen Prevask-onderzoek (oorzaak astma bij
kinderen) (19-02-04 H. schonberger, huisarts-onderzoeker)
Kinderen die waren blootgesteld aan bovengemiddelde hoeveelheden
huisstofmijt hadden vaker "asmatische" klachten (piepen,
nachtelijk hoesten, kortademigheid) in de eerste twee
levensjaren. Datzelfde gold ook voor kinderen die geen
moedermelk hadden gekregen of een moeder die rookte tijdens de
zwangerschap.
Door vermindering van allergische prikkels hadden de kinderen
aan het einde van hun 2e levensjaar minder last van astmatische
klachten dan de groep waarbij de allergische prikkels niet waren
verminderd.
Er zijn aanwijzingen gevonden voor een sekse-specifiek effect
van de vermindering aan allergeenblootstelling, aangezien het
alleen de meisjes waren die minder klachten hadden en niet de
jongens.
Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen dat astma inderdaad
voorkomen kan worden en in hoeverre het gevonden verschil tussen
jongens en meisjes blijvend is. Daarvoor moeten de kinderen
gevolgd worden tot ze zes jaar zijn en de longfunctie gemeten
kan worden.
Sport beter dan melk (19-12-2003 Algemeen Dagblad)
Beweging en gewichtsdragende belasting van de spieren hebben
bij mensen van 27 tot 26 jaar meer effect op de sterkte van hun
botten dan het drinken van melk. Dat blijkt uit het onderzoek
waar epidemiologe I. Bakker op promoveert. Er werd gekeken welke
factoren van invloed zijn op de botsterkte van de wervels en van
de onderrug.
Sterke toename pinda-allergie (12-12-03 Algemeen Dagblad)
Het aantal kinderen dat allergisch is voor pinda's neemt
onverwacht snel toe. Dat blijkt uit Canadees onderzoek. Zo is
het aantal kinderen met pinda-allergie in de Verenigde Staten de
afgelopen vijf jaar verdubbeld. De wetenschappers maken zich
zorgen omdat steeds meer voedingsproducten pinda's bevatten.
Mensen die lijden aan de ernstigste vorm van de allergie kunnen
eraan overlijden.
Geen penicilline bij keelontsteking (9-12-03 Algemeen Dagblad)
Behandeling van kinderen met penicilline heeft geen effect op de
duur van keelpijn, het gebruik van pijnstillers en de kans op
een nieuwe keelontsteking. Huisarts S. Zwart en onderzoekers van
het UMC Utrecht onderzochten 156 kinderen van vier tot 15 jaar.
Bij 96 kinderen werd de potentieel ziekmakende bacterie groep A
beta-heomolytische streptokok gekweekt. Ongeacht de aanwezigheid
van de streptokok bleek een kuur penicilline niet beter te
scoren dan een neppil.
Antibiotica tijdens zwangerschap verhoogd kans op allergie baby
(Susanne Janssen Voedingsecho, nieuwsbrief 12, 2003)
Kinderen van moeders die antibiotica slikken tijdens de
zwangerschap zijn vaak meer allergisch. Een kind loopt een
grotere kans allergieën te ontwikkelen als zijn of haar moeder
tijdens de zwangerschap antibiotica heeft gebruikt. Dit geldt
ook als de moeder tijdens de zwangerschap een infectie heeft
gehad. Kinderen van deze moeders hebben vaker astma, eczeem en
hooikoorts. Van moeders die tijdens de zwangerschap meer dan 2
kuren antibiotica hadden geslikt, hadden de kinderen 68% meer
kans astma te ontwikkelen. Voor het ontwikkelen van eczeem is
dat 17% en voor het ontwikkelen van hooikoorts 56%. De kinderen
van moeders die tijdens de zwangerschap een infectie hadden,
hadden een licht verhoogde kans op de genoemde allergische
aandoeningen. Onder kinderen die oudere broertjes of zusjes
hebben, komen minder allergieën voor. Helaas moeten bepaalde
aandoeningen met antibiotica genezen worden. Als die namelijk
niet behandeld worden zijn er veel grotere risico's voor de
ongeboren baby.
Beter aan de Borst (3-10-03 Algemeen Dagblad)
De meeste Nederlandse baby's krijgen veel korter de borst
dan de twee jaar die de Wereldgezondheidsorganisatie adviseert.
Dat komt door de slechte begeleiding vanuit de hulpverlening en
doordat de combinatie van borst en baan voor vrouwen moeilijk
blijkt. Het voedingscentrum heeft nog een schuldige gevonden:
papa.
In Nederland drinkt 35% van de drie maanden oude baby's
uitsluitend moedermelk. Een op de tien baby's krijgt op deze
leeftijd de borst in combinatie met kunstvoeding.
Dit is spijtig omdat keer op keer uit onderzoeken naar voren
komt dat kunstvoeding in de verste verte niet kan tippen aan
moedermelk.
Borstgevoede baby's belanden veel minder vaak in het ziekenhuis
en krijgen minder vaak oorontstekingen, maag-darmstoornissen,
bronchitis, longontsteking, eczeem, astma en suikerziekte.
Ook de moeders profiteren. Een vrouw die tijdens haar leven twee
jaar lang de borst geeft, reduceert haar kans op borstkanker met
een kwart. Hoe langer ze voedt, des te geringer de kans dat ze
op latere leeftijd last krijgt van botontkalking.
Gaan en blijven! Nederlandse baby's massaal aan de borst, dan
zou dat een enorme besparing opleveren voor de gezondheidszorg.
Kinderallergiecentrum (juli 2003)
Op 25 juni 2003 is het eerste centrum voor
kinderallergologie geopend in Nederland. Dit centrum is
opgericht om kinderen sneller te kunnen behandelen. Het team
bestaat uit een kinderarts, dermatoloog, diëtist,
kinderlongarts, kinderkno-arts en kinderoogarts. Er kan hierdoor
sneller een diagnose worden gesteld. De testen bestaan o.a. uit
de huidtest, bloedtest en voedselprovocatietest.
Het kinderallergiecentrum is een onderdeel van het UMC (
Universitair Medisch Centrum) te Utrecht en gevestigd in het WKZ
( Whilhelmina Kinder Ziekenhuis) te Utrecht. Voor meer
informatie of voor een brochure 030-2504775 of 030-2504776
Risico op ADHD door roken (Algemeen Dagblad)
Vrouwen die tijdens de zwangerschap roken, hebben een
grotere kans een kind te krijgen dat later symptomen van ADHD
vertoont. Dat melden Britse onderzoekers in het American Journal
of Psychiatry. Hoewel uit het onderzoek blijkt dat ADHD vooral
veroorzaakt wordt door erfelijke factoren, zien de
wetenschappers ook een duidelijk verband met het rookgedrag van
de moeder.
Voeding en ADHD (Overgevoeligheden 2003, nummer 1)
In december 2002 werd in het Nederlands tijdschrift voor
Geneeskunde het onderzoek gepubliceerd van mevr. drs. L.M.J.
Pelsser getiteld: 'Gunstige invloed van een
standaardeliminatiedieet op het gedrag van jonge kinderen met
ADHD: een verkennend onderzoek'.
Uit het onderzoek bleek dat 62% van de kinderen reageerden,
volgens de metingen van de ouders, enorm met
gedragsveranderingen op het dieet. Dit werd bevestigd door de
betreffende leerkracht. De combinatie van ADHD met opstandig of
agressief gedrag (ODD) komt geregeld voor. Het dieet had in dit
onderzoek een gunstig effect op zowel ADHD- als ODD-symptomen.
Hoewel de kinderen niet werden geselecteerd op lichamelijke
klachten kwamen deze vaak voor. En ook die verdwenen na het
volgen van het dieet.
Aangezien kinderen met veel lichamelijke symptomen vaak minder
goed op medicatie reageren, zou dieetinterventie vooral voor
deze kinderen uitkomst kunnen bieden.
www.adhd-en-voeding.nl
|