Onderzoek

BabyAllergie

Onderzoek
Algemeen
Diversen
Koemelkallergie
Borstvoeding
Eczeem
Alternatieve geneeswijzen
Voeding

 

 

 

 

 

Wil je reageren, heb je
vragen of tips?
Marjolijne Schipper

Copyright © BabyAllergie

December 2010
Vermindering van de auto-immuniteit door middel van een dieet tijdens de eerste kinderjaren
(Knip M et al. N Engl J Med. 2010 Nov 11 ; 363(20): 1900-8.)
De voeding tijdens de eerste levensmaanden zou niet alleen invloed kunnen uitoefenen op allergie, maar ook op het optreden van auto-immuniteit. In een gerandomiseerde studie werden kinderen met een HLA-type dat bevorderlijk was voor het optreden van diabetes, en minstens één familielid met type 1-diabetes gevoed met een caseïnehydrolysaat of flesvoeding met koemelk als borstvoeding niet mogelijk was, de eerste zes tot acht levensmaanden. Bij follow-up na tien jaar was de incidentie van autoantistoffen die verband houden met type 1-diabetes (antistoffen tegen GAD (glutamic acid decarboxylase), IA-2 (insulinoma-associated 2 molecule) et zinc transporter 8), de helft lager in de groep die caseïnehydrolysaat had gekregen, dan in de controlegroep. Daarmee werd voor de eerste keer aangetoond dat het gebruik van een caseïnehydrolysaat een preventief effect zou hebben op diabetes.

December 2010
Als de moeder tijdens de zwangerschap pindanootjes eet, stijgt het risico op sensibilisering bij allergische kinderen
(Sicherer H et al. J Allergy Clin Immunol. Oct 27. [Epub ahead of print])
Deze Amerikaanse studie werd uitgevoerd bij meer dan 500 kinderen van drie tot vijftien maanden die waarschijnlijk allergisch waren voor melk en/of eieren, maar zonder diagnose van allergie voor pindanootjes. Bij 27,8% van de zuigelingen was de titer van specifieke IgE tegen pindanootjes meer dan 5 kµ/l. Bij multivariate analyse correleerden antecedenten van consumptie van pindanootjes tijdens de zwangerschap, een verhoogde titer van specifieke IgE tegen koemelk (p = 0,001) en eieren (p < 0,001) en het mannelijke geslacht (p = 0,02) het best met een stijging van de specifieke IgE tegen pindanootjes tot meer dan 5 kµ/l (odds ratio 2,9). De frequentie van consumptie van pindanootjes tijdens de zwangerschap vertoonde een dosisgebonden correlatie met een IgE-titer > 5 kµ/l. Bij kinderen die nooit borstvoeding hadden gekregen, vervijfvoudigde frequente consumptie van pindanootjes tijdens de zwangerschap het risico op sensibilisering voor pindanootjes.

November 2010
Allergie voor koemelkproteïnen volgens een Italiaanse groep
(Solinas C et al. J Matern Fet Neonat Med. 2010 Oct ; 23 Suppl 3: 76-9.)
Een Italiaanse groep heeft een overzichtsartikel geschreven over allergie voor koemelkproteïnen. 2 tot 7,5% van de kinderen is allergisch voor koemelkproteïnen en die allergie houdt soms langer aan dan vier jaar. Allergie voor koemelkproteïnen wordt vermoed op grond van een gedetailleerde anamnese van de familie en het kind, huidtests, patchtests en laboratoriumtests, gevolgd door een eliminatiedieet en een provocatietest met koemelkproteïnen. Er kunnen meerdere producten worden gebruikt voor de voeding van allergische kinderen zoals gehydrolyseerde caseïne en producten op basis van aminozuren en soja.

November 2010
Een Engelse review over opsporing en behandeling van allergie voor koemelkproteïnen
(du Toit G et al. Arch Dis Child Educ Pract Ed. 2010 Oct ; 95(5): 134-44.)
Deze Angelsaksische auteurs hebben een overzichtsartikel geschreven over allergie voor koemelkproteïnen. Dat is een van de frequentste vormen van allergie in de ontwikkelde landen. De allergie is invaliderend, ook al omdat een evenwichtige voeding bijna altijd producten op basis van koemelk bevat. Allergie voor koemelkproteïnen kan allerhande reacties uitlokken in bijvoorbeeld de huid, het spijsverteringskanaal en de luchtwegen. Naast de onmiddellijke door IgE gemedieerde allergie, die gemakkelijk wordt herkend, zijn er almaar meer bewijzen dat allergie voor koemelkproteïnen ook een late allergie kan zijn, die zich uit in het spijsverteringsstelsel en de huid en waarbij IgE geen duidelijke rol speelt. De behandeling bestaat vooral uit het vermijden van koemelkeiwitten, ook al lopen er pogingen tot desensibilisering. Eén van de problemen bij allergie voor koemelkproteïnen is dat er bij de behandeling voor moet worden gezorgd dat er geen carentietoestanden optreden.

November 2010
Allergie voor pindanootjes: een overzicht
(Pansare M et al. Curr Op Pediatr. 2010 Oct ; 22(5): 642-6.)
In deze review worden de recente aanwinsten bij de behandeling van allergie voor pindanootjes beschreven. De allergie begint vroeger tijdens de kinderjaren en neemt toe in de ontwikkelde landen. Het is nog niet duidelijk hoe de overgevoeligheid voor pindanootjes precies ontstaat. De primaire behandeling bestaat uit het vermijden van pindanootjes en uiteraard behandeling van de anafylaxie bij een accidentele ingestie. Er werden meerdere pogingen tot perorale desensibilisering uitgevoerd, met succes, maar slechts bij een gedeelte van de behandelde kinderen. Er lopen prospectieve studies die ons hopelijk zullen leren of sensibilisering van hoogrisicokinderen voor pindanootjes beter kan worden tegengegaan door een vroege toediening van hoge doses pindanootjes dan door pindanootjes te vermijden.

Oktober 2010
Zuigelingeneczeem, slaapproblemen en geestelijke gezondheid op de leeftijd van tien jaar
(Schmitt J et al. Allergy. Article first published online: 29 SEP 2010 | DOI: 10.1111/j.1398-9995.2010.02487.x)
Zuigelingeneczeem is een belangrijk teken van voedselallergie. De LISAplus-studie is een studie die in meerdere Duitse centra werd uitgevoerd om het effect te analyseren van een voeding bestaande uit gedeeltelijk en/of sterk gehydrolyseerde koemelkproteïnen. 54% van de aanvankelijk meer dan 3000 pasgeborenen werd gevolgd tot de leeftijd van tien jaar. De kinderen die als zuigeling eczeem hadden vertoond, liepen een hoger risico op ADHD op de leeftijd van tien jaar (odds ratio 1,78). Eczeem en slaapproblemen tijdens de eerste kinderjaren hadden een voorspellende waarde wat het optreden van emotionele problemen (OR 2,63) en gedragsproblemen (OR 3,3) op de leeftijd van tien jaar betreft. Zuigelingeneczeem geneest meestal, maar is dus duidelijk een risicofactor van ontwikkelingsproblemen later in het leven.

Augustus 2010
Langdurige exclusieve borstvoeding vereist om het risico op infectieziekten tijdens de eerste kinderjaren te verlagen
(Duijts L et al. Pediatrics. 2010 Jul ; 126(1): e18-25.)
De Generation Earth Study is een Nederlandse prospectieve studie waarin de kinderen werden gevolgd vanaf het foetale leven. Kinderen die tot de leeftijd van 4 maanden alleen borstvoeding hadden gekregen en daarna nog gedeeltelijk, liepen tot de leeftijd van 6 maanden een lager risico op infecties van de bovenste en de onderste luchtwegen en het maag-darmkanaal dan kinderen die nooit borstvoeding hadden gekregen (odds ratio respectievelijk 0,65, 0,50 en 0,41) en ze vertoonden ook minder ondersteluchtweginfecties tussen de leeftijd van 7 tot 12 maanden (odds ratio 0,46). Een soortgelijke tendens werd waargenomen bij kinderen die 6 maanden of langer louter borstvoeding hadden gekregen. Gedeeltelijke borstvoeding zelfs gedurende 6 maanden verlaagt het risico op die infecties niet op dezelfde manier. Het is dus vooral exclusieve borstvoeding tot de leeftijd van 4 maanden, die infecties van de luchtwegen en het spijsverteringskanaal bij jonge zuigelingen vermindert.

Augustus 2010
Borstvoeding vermindert het risico op koorts na vaccinatie
(Pisacane A et al. Pediatrics 2010; 125 e1448-e1452)
In deze studie werd het effect van borstvoeding onderzocht op het risico op koorts na vaccinatie. In deze prospectieve studie die werd uitgevoerd in Napels, bedroeg het aantal kinderen dat koorts kreeg na vaccinatie 25% bij de kinderen die enkel borstvoeding kregen, 31% bij de kinderen die een gemengde voeding kregen, en 53% bij de kinderen die geen borstvoeding kregen. Het relatieve risico op koorts bij kinderen die enkel borstvoeding kregen, was dus lager: 0,46 in geval van exclusieve borstvoeding en 0,58 in geval van een gemengde voeding. De bescherming die wordt geboden door borstvoeding, persisteert ook na correctie voor vertekenende factoren.

Augustus 2010
Geboorte via keizersnede verergert het risico op coeliakie, maar niet op dat van inflammatoire darmaandoeningen
(Decker E et al. Pediatrics 2010; 125:e1433-e1440)
In deze studie werd het mogelijke verband onderzocht tussen een geboorte via keizersnede en het optreden van spijsverteringsaandoeningen later in de kinderjaren. In die multicentrische, retrospectieve studie van 1950 kinderen was het percentage geboorte via keizersnede vergelijkbaar bij de kinderen die nadien een ziekte van Crohn of colitis ulcerosa hebben ontwikkeld, en de controlekinderen. Kinderen die nadien coeliakie hebben ontwikkeld, zijn wel vaker via keizersnede ter wereld gekomen dan de controlekinderen (odds ratio 1,8). De wijze van geboorte en de stoornissen van de ontwikkeling van de darmhomeostase die door de keizersnede worden veroorzaakt tijdens de neonatale periode, zouden een invloed kunnen hebben op de incidentie van coeliakie.

Augustus 2010
Kinderen die flesvoeding krijgen, zouden hun consumptie minder goed zelf kunnen regelen dan kinderen die borstvoeding krijgen
(Li R et al. Pediatrics 2010;125: e1386-e1393)
Via welk mechanisme vermindert borstvoeding het risico op obesitas bij kinderen? Een hypothese stelt dat kinderen die borstvoeding krijgen, zelf hun voeding beter kunnen regelen. De proefpersonen die hadden deelgenomen aan de "2005-2007 Infant Feeding Practice Study 2" vulden maandelijks een vragenlijst in. Slechts 27% van de zuigelingen die tijdens de eerste kinderjaren alleen borstvoeding hadden gekregen, dronk hun fles of kop later tijdens de kinderjaren volledig uit tegen 54% van de kinderen die van meet af aan een gemengde voeding (borst- en flesvoeding) hadden gekregen, en 68% van de kinderen die alleen flesvoeding hadden gekregen. Bij multivariate analyse was het aantal kinderen dat hun fles of kop later in het leven volledig uitdronk, ongeveer tweemaal groter bij de kinderen die vroeg in hun leven intensieve flesvoeding hadden gekregen, dan bij de kinderen die minder intensief flesvoeding hadden gekregen. Kinderen die flesvoeding krijgen, blijken hun fles of kop later tijdens de kinderjaren gemakkelijker volledig uit te drinken, wat uiteraard niet goed is in termen van preventie van obesitas.

Juni 2010
Verbetering van het dieet en de levenskwaliteit bij kinderen na een negatieve orale provocatietest

(Flammarion S et al. Allergy. 2010 Nov 2. [Epub ahead of print])
Voedselallergie heeft een negatieve weerslag op de levenskwaliteit van het kind. Met een orale provocatietest na een eliminatiedieet kan worden nagegaan of het kind het uitgesloten voedingsmiddel opnieuw kan verdragen. Wat gebeurt er met de kinderen na de provocatietest, als die negatief blijkt te zijn? Voor deze studie werden vragenlijsten verstuurd naar de ouders van kinderen met een negatieve test. Slechts een klein percentage van de ouders rapporteerde dat er na de provocatietest symptomen waren opgetreden en in vier gevallen waren die waarschijnlijk te wijten aan voedselallergie. 70% van de ouders vond dat het leven van hun kinderen verbeterd was, meer bepaald door het verwerven van nieuwe sociale activiteiten en de deelname aan verjaardagen en maaltijden op school. De schrik voor accidentele ingestie was echter niet volledig verdwenen bij 37% van de ouders en 17% van de ouders zei dat ze nog steeds schrik hadden, ongeacht of er al dan niet nog een andere vorm van voedselallergie bestond.

Juni 2010
Consumptie van groenten, fruit en antioxidantia tijdens de zwangerschap zou het kind kunnen beschermen tegen eczeem

(Miyake Y et al. Allergy. 2010 Jan 22. [Epub ahead of print])
In deze Japanse studie werd het verband onderzocht tussen de consumptie van groenten, fruit en geselecteerde antioxidantia tijdens de zwangerschap en het risico op wheezing of eczeem bij de kinderen op de leeftijd van 16-24 maanden. Een hogere consumptie door de moeder van groene en gele groenten, citrusvruchten en bètacaroteen tijdens de zwangerschap correleerde significant met een daling van het risico op eczeem, maar niet van het risico op wheezing bij de zuigelingen (odds ratio OR 0,41). Consumptie van vitamine E tijdens de zwangerschap vertoonde een significante negatieve correlatie met het risico op wheezing bij het kind, maar niet met het risico op eczeem. Er werd geen significant verband waargenomen tussen de totale consumptie van groenten, de consumptie van andere dan groene en gele groenten, de consumptie van fruit, alfacaroteen, vitamine C of zink en het risico op wheezing en eczeem. Consumptie van groene en gele groenten, citrusvruchten en bètacaroteen tijdens de zwangerschap zou het kind dus het best beschermen tegen eczeem. Consumptie van vitamine E zou het risico op wheezing verlagen.

Juni 2010
Vitamine D-insufficiëntie bij kinderen met astma als gevolg van het gebruik van corticoïden

(Searing DA et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5): 995-1000.)
Het verband tussen vitamine D-deficiëntie en astma bij kinderen is niet goed bekend. De plasmaconcentratie van 25-OH-vitamine D werd gemeten bij 100 kinderen met astma en gecorreleerd met de kenmerken van de patiënten. De gemiddelde spiegel was 31 ng/ml. 47% van de kinderen vertoonde een te lage spiegel (< 30 ng/ml) en 17% vertoonde een duidelijk tekort (< 20 ng/ml). Er was een negatieve correlatie tussen het aantal positieve huidtests en de vitamine D-spiegel en een positieve correlatie tussen de longfunctietests en de vitamine D-spiegel. Er werd een significante negatieve correlatie vastgesteld tussen het gebruik van inhalatiecorticosteroïden, corticoïden per os en de totale dosis van corticoïden en de vitamine D-spiegel. Een lage vitamine D-spiegel is dus gerelateerd aan het gebruik van corticoïden en ook aan een slechtere longfunctie.

Juni 2010
Bijdrage van de lichte ketens van immunoglobulines tot de allergische reactie op koemelkproteïnen

(Schouten B et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 Jun ; 125(6): 1308-14.)
2,5% van de jonge zuigelingen is allergisch voor koemelkproteïnen. De allergie kan al dan niet worden gemedieerd door IgE, ongeacht het oorzakelijke allergeen (caseïne of oplosbare eiwitten). Bij de pathofysiologie van overgevoeligheid voor koemelkproteïnen zouden ook de lichte ketens van immunoglobulines een rol kunnen spelen. Dat werd onderzocht bij gesensibiliseerde muizen en bij kinderen met een atopische dermatitis als gevolg van een allergie voor koemelkproteïnen. Bij de gesensibiliseerde muizen verschenen er geen specifieke IgE-antistoffen tegen caseïne, maar steeg de titer van de lichte ketens van de immunoglobulines. Bij de patiënten met allergie voor koemelkproteïnen en atopische dermatitis waren de concentraties van lichte ketens ook verhoogd. Een dergelijke meting zou dus kunnen worden gebruikt bij de diagnostiek van allergie voor koemelk bij kinderen.

Juni 2010
Epicutane desensibilisatie voor koemelk

Dupont C et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5): 1165-7.)
Allergie voor koemelkproteïnen is uitermate frequent bij zuigelingen en kan in bijna 20% van de gevallen aanhouden tot na de leeftijd van vijf jaar, vooral als de allergie gemedieerd wordt door IgE. In een Franse studie werden de haalbaarheid en de doeltreffendheid van een techniek van epicutane desensibilisatie onderzocht, waarbij pleisters met melkpoeder op de huid worden aangebracht. In die studie werd aangetoond dat de techniek goed werd verdragen en dat het niveau van melktolerantie bij die kinderen, die aanvankelijk slechts zeer kleine hoeveelheden melk verdroegen, met factor 10 toenam. Die epicutane techniek zou dus een alternatief kunnen zijn voor methoden die gebaseerd zijn op orale inname en die toch steeds een risico op anafylactische reactie inhouden.

Juni 2010
Kinderen die allergisch zijn voor melk of eieren, zijn vaak ook allergisch voor pindanootjes

(Sicherer SH et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5): 1077-1083.e8.)
In een studie die in de Verenigde Staten werd uitgevoerd door het Consortium of Food Allergy Research, werden de mechanismen van voedselallergie onderzocht en werden biomerkers opgespoord zoals huidtests, specifieke IgE-antistoffen en de respons van mononucleaire cellen bij kinderen die allergisch waren voor melk en eieren. De studie werd uitgevoerd bij kinderen van 3 tot 15 maanden met een positieve huidtest voor melk of eieren en familiale antecedenten van allergie of een matig tot ernstig eczeem. Kinderen die allergisch waren voor pindanootjes, werden uit de studie geweerd. De resultaten waren dat kinderen die allergisch waren voor melk of eieren, ook veel vaker een verhoogde titer van specifieke IgE-antistoffen tegen pindanootjes hadden (gewone sensibilisatie of echte allergie voor pindanootjes). De serumtiters van specifieke IgE tegen pindanootjes waren een gevoeligere indicator van sensibilisatie dan de huidtests. De allergeenspecifieke expressie van IL4 zou ook een merker van een allergisch risico kunnen zijn. Als de expressie van GATA3-mRNA niet toeneemt, wijst dat erop dat de allergeenspecifieke secretie van IL4 misschien niet toe te schrijven is aan T-lymfocyten.

Juni 2010
Een update van het effect van probiotica bij diverse allergische aandoeningen

(Özdemir O. Clin Experiment Immunol. 2010 Mar 16. [Epub ahead of print])
Uit epidemiologische studies blijkt dat allergische kinderen een andere darmflora hebben dan gezonde kinderen: ze hebben meer Clostridiumbacteriën en minder bifidobacteriën. Bifidobacteriën en Lactobacillus zijn de bacteriën die het vaakst worden teruggevonden in de darmflora bij niet-allergische kinderen. Probiotica zijn levende microben, die een gunstige invloed kunnen uitoefenen op de darmflora. Een toename van bepaalde probiotische bacteriën in de darmflora correleert met een bescherming tegen allergie. Klinisch wordt vooral een verbetering gezien bij allergische rinitis en eczeem als gevolg van een door IgE gemedieerde overgevoeligheid. De gunstige klinische effecten hangen evenwel af van tal van factoren zoals het type bacteriën dat wordt gebruikt als probioticum, de dosering, de wijze van toediening en onderliggende factoren zoals de leeftijd en de voeding van het individu.

Juni 2010
Veiligheid van het griepvaccin bij kinderen die allergisch zijn voor eieren

(Chung EY et al. Pediatrics. 2010 May ; 125(5): e1024-30.)
Recente richtlijnen raden aan een huidtest met het griepvaccin uit te voeren voor injectie van het vaccin bij kinderen die allergisch zijn voor eieren. Deze studie werd uitgevoerd bij 261 kinderen die allergisch waren voor eieren; 171 van die kinderen hebben het vaccin gekregen. 95% van de 56 kinderen bij wie een huidtest werd uitgevoerd voor toediening van het vaccin, verdroeg het vaccin zonder ernstige reactie. Nadat werd beslist om de huidtest met het vaccin niet meer uit te voeren, veranderde dat cijfer helemaal niet. 97% van de 115 kinderen die het vaccin hebben gekregen zonder huidtest, verdroeg het vaccin zonder ernstige bijwerking. Kortom, kinderen die allergisch zijn voor eieren, kunnen zonder probleem worden ingeënt met de twee doses van het griepvaccin zonder dat eerst een huidtest moet worden uitgevoerd.
[NOOT: 3% REAGEERT DUS WEL DEGELIJK OP DE VACCINATIE!]

Juni 2010
Borstvoeding, sensibilisatie voor aerogene allergenen en blootstelling tijdens de eerste kinderjaren zijn bepalend voor allergische rinitis bij kinderen

(Codispoti CD et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 May ; 125(5): 1054-1060.e1.)
In de meeste studies werd het beschermende effect van borstvoeding onderzocht bij atopische dermatitis en astma. Minder vaak werd het effect van borstvoeding op allergische rinitis onderzocht. In deze studie werden kinderen uit de streek van Cincinnati die een risico liepen op allergie, jaarlijks gevolgd vanaf de leeftijd van 1 jaar tot de leeftijd van 3 jaar. 116 van de 361 kinderen vertoonden een allergische rinitis en 245 kinderen vertoonden geen tekenen van atopie of symptomen. Kinderen die langdurig borstvoeding hadden gekregen, en kinderen uit een kroostrijk gezin, vertoonden minder allergische rinitis (odds ratio OR respectievelijk 0,8 en 0,4). De incidentie van allergische rinitis op de leeftijd van 3 jaar was hoger bij kinderen bij wie de huidtests positief waren op voedselallergenen en aerogene allergenen (OR respectievelijk 4,4 en 6,8).

Juni 2010
Borstvoeding, astma, longfunctie en sensibilisatie bij jonge schoolgaande kinderen

(Kull I et al. J Allergy Clin Immunol. May ; 125(5): 1013-9.)
Er is discussie over de vraag of borstvoeding al dan niet beschermt tegen allergie. Het effect zou kunnen verschillen naargelang het gaat om vroege dan wel latere verschijnselen van allergie. In deze studie, die werd uitgevoerd met vragenlijsten, werd aangetoond dat kinderen die gedurende 4 maanden of langer alleen borstvoeding hadden gekregen, de eerste acht weken van het leven een lager risico op astma liepen (odds ratio OR 0,63) dan kinderen die minder dan 4 maanden alleen borstvoeding hadden gekregen. Op de leeftijd van acht jaar werd ook een lager risico op sensibilisatie (odds ratio OR 0,79) en astma (OR 0,59) waargenomen bij de kinderen die uitsluitend borstvoeding hadden gekregen gedurende 4 maanden of langer. Die groep had een betere longfunctie. Borstvoeding zou dus kunnen beschermen tegen astma bij kinderen op voorwaarde dat de borstvoeding minstens 4 maanden wordt gegeven

Juni 2010
Moet het eliminatiedieet zeer strikt zijn bij de preventie en de behandeling van voedselallergie?
(Kim JS et al. Curr Opin Allergy Clin Immunol. 2010 Jun ; 10(3): 252-7.)
Dit overzichtsartikel handelt over het eliminatiedieet bij voedselallergie en de preventie van voedselallergie. Tot voor kort was de regel een strikt eliminatiedieet uitgaande van het idee dat blootstelling allergische reacties zou kunnen veroorzaken en dat eliminatie de genezing zou kunnen versnellen. Volgens recente studies is dat waarschijnlijk niet helemaal waar. In klinische studies werd inderdaad aangetoond dat sommige kinderen die allergisch waren voor melk en eieren, gekookte vormen van die voedingsmiddelen verdroegen. In studies met orale immunotherapie werd aangetoond dat orale blootstelling aan allergene voedingsmiddelen een desensibiliserend effect kan hebben. En in epidemiologische studies tot slot kon niet worden aangetoond dat de ontwikkeling van voedselallergie kon worden voorkomen door een latere introductie van zeer allergene voedingsmiddelen bij zuigelingen en jonge kinderen. Integendeel, dat zou het risico zelfs kunnen verergeren. Een strikte eliminatie is nog altijd de regel in een aantal situaties, maar het zou kunnen dat daar verandering in komt en dat een progressieve introductie van kleine hoeveelheden bij sommige patiënten interessanter is dan een strikte eliminatie.

Juni 2010
Eczeem tijdens de eerste kinderjaren veroorzaakt geestelijke gezondheidsproblemen op de leeftijd van 10 jaar: de resultaten van de GINI-studie
(Schmitt J et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 Feb ; 125(2): 404-10.)
De follow-up van de GINI-cohorte, die in Duitsland werd gestart tussen 1995 en 1998, heeft zeer interessante informatie opgeleverd over de evolutie van allergie en de mogelijkheden tot preventie. De gegevens die tot nog toe werden verzameld, geven extra informatie over comorbiditeit. Bij recente analyses van die cohorte werd inderdaad aangetoond dat kinderen die tijdens de eerste kinderjaren eczeem hadden gehad, een significant hoger risico op geestelijke gezondheidsproblemen op de leeftijd van 10 jaar en emotionele problemen liepen dan kinderen die nooit eczema hadden gehad. Kinderen die enkel tijdens de eerste kinderjaren eczeem hadden gehad, liepen een significant hoger risico op gedragsproblemen op de leeftijd van 10 jaar. De correlatie tussen eczeem en emotionele problemen op de leeftijd van 10 jaar was nog sterker als het eczeem persisteerde.

Juni 2010
De gunstige effecten op lange termijn van borstvoeding op de geestelijke gezondheid van kinderen en adolescenten
(Oddy WH et al. J Pediatr. 2010 Apr ; 156(4): 568-74.)
In de Western Australian Pregnancy Cohort werden 2900 zwangere vrouwen gerekruteerd en werd het gezin gevolgd vanaf de geboorte van het kind tot de leeftijd van 14 jaar. De geestelijke gezondheid werd gemeten met de Child Behaviour Checklist (CBCL). Kinderen en adolescenten die minder dan 6 weken borstvoeding hadden gekregen, vertoonden meer problemen op het gebied van de geestelijke gezondheid dan als ze borstvoeding hadden gekregen gedurende 6 maanden of langer. Bij wiskundige analyse werd aangetoond dat er meer gedragsproblemen optraden naarmate de duur van de borstvoeding korter was. Een kortere duur van borstvoeding zou dus een negatieve weerslag kunnen hebben op de geestelijke gezondheid tijdens de kindertijd en de adolescentie.

Juni 2010
Exclusieve borstvoeding blijkt prematuren te beschermen tegen ulceronecrotiserende enterocolitis
(Sullivan S et al. J Pediatr. 2010 Apr ; 156(4): 562-7.e1.)
Zuigelingen die worden gevoed met de melk van hun eigen moeder, werden in 3 groepen ingedeeld met of zonder extra producten op basis van koemelkproteïnen. De demografische kenmerken, de duur van parenterale voeding, het percentage septikemie en de groei waren vergelijkbaar in de 3 groepen. De incidentie van ulceronecrotiserende enterocolitis (p = 0,02) en van ulceronecrotiserende enterocolitis waarvoor een heelkundige ingreep diende te worden uitgevoerd (p = 0,007) was significant lager in de groep die alleen moedermelk kreeg. Toevoeging van koemelkproteïnen aan de moedermelk, wat noodzakelijk is op nutritief vlak, zou dus de incidentie van ulceronecrotiserende enterocolitis kunnen verhogen.

Maart 2010
Een hoger IgA-gehalte in de darmen verlaagt het risico op door IgE gemedieerde allergische aandoeningen
(Kukkonen K et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Jun 26. [Epub ahead of print])
Het is nog niet heel duidelijk hoe orale tolerantie wordt verkregen en welk effect probiotica daarop hebben. Deze groep onderzocht het IgA-gehalte in de darmen bij kinderen met een hoog risico op allergie die werden behandeld met probiotica, prebiotica of een placebo. Bij de kinderen die op de leeftijd van 6 maanden een hoog fecaal IgA-gehalte vertoonden, was het risico op ontwikkeling van een allergische aandoening voor de leeftijd van 2 jaar de helft lager (odds ratio 0,52) en was ook het risico op door IgE gemedieerde atopische aandoeningen significant lager (OR 0,49). Ook een hoog calprotectinegehalte in de feces op de leeftijd van 6 maanden correleerde met een lager risico op door IgE gemedieerde atopische ziekte tot de leeftijd van 2 jaar (OR 0,49). Alle ontstekingsmerkers in de feces (alfa1-antitrypsine, TNF-? en calprotectine) vertoonden een positieve correlatie met het fecale IgA-gehalte. Probiotica verhoogden het IgA-gehalte in de feces en verhoogden significant het alfa1-antitrypsinegehalte.

Maart 2010
Borstvoeding en hoge prevalentie van allergische aandoeningen bij schoolgaande kinderen: is er een omgekeerd oorzakelijk verband?
(Kusunoki T et al. Pediatr Allergy Immunol. 2010 Jan 14. [Epub ahead of print])
Het zou kunnen dat kinderen die een hoger risico lopen op allergie, langer borstvoeding krijgen dan kinderen met een lager risico omdat de moeders hopen dat borstvoeding ze beschermt tegen atopische aandoeningen. In studies zou een statistisch verband zijn aangetoond tussen langere borstvoeding en het optreden van allergische verschijnselen en dat zou getuigen van een "omgekeerd oorzakelijk verband". Om dat verder te onderzoeken, hebben de auteurs bij ouders van kinderen van 7 tot 15 jaar een studie met vragenlijsten uitgevoerd. Bij univariate en multivariate analyse was de prevalentie van astma lager bij de kinderen die borstvoeding of een gemengde voeding hadden gekregen. Bij multivariate analyse was de prevalentie van atopische dermatitis en voedselallergie significant hoger bij de kinderen die borstvoeding hadden gekregen. Er was dus een significant sterkere tendens tot volledige borstvoeding bij de kinderen met een hoger risico op allergie. Volgens de auteurs is het ogenschijnlijke positieve verband tussen atopische dermatitis en voedselallergie enerzijds en borstvoeding anderzijds toe te schrijven aan een fenomeen van "omgekeerd oorzakelijk verband".

Maart 2010
Vroege blootstelling aan voedselallergenen en ontwikkeling van eczeem
(Sariachvili M et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Jul 1. [Epub ahead of print])
De gezondheidsautoriteiten raden aan om niet voor de leeftijd van zes maanden te starten met een gediversifieerde voeding teneinde allergie te voorkomen. Maar niet in alle studies kon worden aangetoond dat het risico op allergie vermindert als pas later wordt gestart met een gediversifieerde voeding. In deze studie bij 1128 kinderen werd aangetoond dat een vroeg starten met een gediversifieerde voeding het risico op allergie niet verhoogt. De auteurs besluiten inderdaad dat toediening van vast voedsel voor de leeftijd van vier maanden het risico op eczeem vermindert, maar alleen bij kinderen met familiale antecedenten van allergie (OR : 0,35). Ze preciseren evenwel dat hun studie geen voldoende basis vormt om de in voege zijnde aanbevelingen op de helling te zetten.

Maart 2010
Een algemeen overzicht van allergie voor eieren
(Benhamou AH et al. Allergy. 2009 Nov 12. [Epub ahead of print])
Allergie voor eieren is de frequentste vorm van voedselallergie bij kinderen jonger dan drie jaar, samen met allergie voor melkproteïnen en pindanootjes. De allergie veroorzaakt symptomen van de huid en het spijsverteringskanaal en mondt soms uit in een anafylactische reactie. Er zijn ook niet door IgE gemedieerde symptomen zoals eosinofiele darmaandoeningen en door eieren veroorzaakte enterocolitis. Sensibilisatie is mogelijk ook als er geen klinische symptomen zijn. De diagnose stoelt op een anamnese, IgE-tests en een voedselanamnese. Het belangrijkste allergeen, het ovomucoïd, is bekend. Dat samen met recente technologische aanwinsten biedt uitzicht op snelle diagnostische tests. De behandeling bestaat uit het vermijden van eieren. Er zijn evenwel schema's voor tolerantie-inductie in onderzoek.

Maart 2010
Moedermelk, hét voorbeeld van beschermende voedingsstoffen
(Walker A. J Pediatr Feb ; 156(2 Suppl): S3-7.)
In een overzichtsartikel bespreekt Allan Walker de verschillende voordelen van moedermelk voor baby's. Moedermelk stimuleert de ontwikkeling van de afweer van de pasgeborene om het slijmvlies te beschermen. Later kunnen meerdere gunstige effecten van borstvoeding in het licht worden gesteld zoals een preventief effect op een aantal aandoeningen. Een belangrijke functie van vroege borstvoeding is het tegengaan van een overdreven onrijpe ontstekingsreactie bij de pasgeborene. Moedermelk bevat meerdere bestanddelen die de ontstekingsreactie kunnen verminderen, zoals TGF-?, interleukine (IL)-10, erytropoëtine en lactoferrine. Die bestanddelen kunnen individueel of samen werken om de onrijpe anti-inflammatoire respons van pasgeborenen onder controle te houden.

22 maart 2010
Lactobacillus casei wijzigt de darmflora bij zuigelingen

(Cox MJ et al. PLosOne 2010 Jan; 5(1): e8745.)
Kolonisatie van de zuigeling door micro-organismen tijdens het eerste levensjaar is cruciaal voor de ontwikkeling van een evenwichtige immuunrespons. Vroege afwijkingen veroorzaken aandoeningen zoals astma en atopie. In deze studie kregen kinderen van zes maanden supplementen van Lactobacillus casei LGG. Een grote hoeveelheid LGG bevorderde de vorming van bepaalde fylogenetische clusters van bacteriën waaronder een aantal al bekende probiotische species. Vanuit ecologisch standpunt is dat verschijnsel kenmerkend voor een bacteriële flora die resistenter is tegen stoornissen en tegen groei van pathogenen. Bij analyse met PhyloChips werden taxa (fylogenetische evolutiegroepen) geïdentificeerd, die een negatieve correlatie vertoonden met een overvloed aan LGG en waarvan al was aangetoond dat ze atopie in de hand werken. Het gebruik van LGG zou dus een stabiele, evenwichtige en functioneel redundante flora kunnen bevorderen.

Maart 2010
Het verband tussen blootstelling aan koemelkproteïnen en het risico op type 1-diabetes hangt af van genetische factoren
(Lempainen J et al. J Autoimmun. 2009 Sep ; 33(2): 155-64.)
Het verband tussen type 1-diabetes en de consumptie van koemelkproteïnen vroeg in de kinderjaren werd uitgebreid onderzocht, maar de resultaten zijn tegenstrijdig. Een Finse groep heeft het effect onderzocht van een aantal polymorfismen van de genen van diabetes op het optreden van type 1-diabetes bij kinderen die al op zeer jonge leeftijd werden blootgesteld aan koemelkproteïnen. Het allel PTPN22 C1858T is gelinkt aan de vorming van autoantistoffen en type 1-diabetes bij kinderen als ze werden blootgesteld aan koemelkproteïnen voor de leeftijd van zes maanden, maar niet erna. Dat wijst op een relatie tussen genetische en omgevingsfactoren. Die resultaten wijzen er ook op dat het onderzoek ter zake moet worden gecentreerd op precieze perioden van blootstelling, waarschijnlijk zeer vroeg in het leven van het kind.

Maart 2010
Voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en allergische sensibilisering van het kind op de leeftijd van vijf jaar

(Nwaru BI et al. Pediatr Allergy Immunol. [Epub ahead of print])
In de prospectieve Finnish type 1 Diabetes Prediction and Prevention Nutrition Study werd onderzocht welke factoren het optreden van diabetes in de hand werken en vooral dan de rol van consumptie van koemelk. Er werd een duidelijk verband aangetoond tussen de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en allergeenspecifieke IgE op de leeftijd van vijf jaar. Er werd een hogere sensibilisering voor aerogene allergenen waargenomen als de moeder tijdens de zwangerschap meer citrusvruchten en fruit had gegeten. Anderzijds werd een duidelijke correlatie waargenomen tussen de consumptie van vitamine D door de moeder en sensibilisering voor voedselallergenen. Volgens die studie zou de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap een invloed kunnen uitoefenen op het risico op allergie: de consumptie van citrusvruchten zou het risico verhogen en de consumptie van vitamine D zou het risico verlagen.

Maart 2010
Immunotherapie bij voedselallergie
(Kurihara K. Allergol Int. 2010 Feb 25; 59(1) [Epub ahead of print])
De behandeling van voedselallergie bestaat vooral uit het vermijden van het oorzakelijke voedingsmiddel. Maar volgens meerdere studies zou immunotherapie kunnen worden overwogen bij voedselallergie. De immunotherapie is momenteel gebaseerd op orale toediening van progressief stijgende hoeveelheden van het voedingsmiddel. Dit overzichtsartikel geeft een samenvatting van de huidige resultaten en bespreekt de onderliggende mechanismen en de huidige indicaties. Bij atopische dermatitis wordt nogal gemakkelijk en ongecontroleerd een eliminatiedieet voorgeschreven. Misschien kan daarvan worden afgezien dankzij immunotherapie.

Maart 2010
Geen verhouding tussen allergie voor koemelkeiwitten en multipele sclerose: een populatiestudie (Ramagopalan SV et al. J Neurol Sci. 2010 Jan 20 [Epub ahead of print])
Waarschijnlijk spelen auto-immuunverschijnselen mee bij de pathofysiologie van multipele sclerose en zou vitamine D bijdragen tot de vatbaarheid voor de ziekte. Allergie voor koemelkproteïnen is eveneens te wijten aan een onevenwichtigheid van het immuunsysteem en kan leiden tot vitamine D-tekort door onvoldoende consumptie van zuivelproducten. In deze Canadese populatiestudie werd het verband onderzocht tussen allergie voor koemelkproteïnen tijdens de kinderjaren en het latere optreden van multipele sclerose. Bij vergelijking van patiënten met multipele sclerose en de echtgenoot/echtgenote als controlegroep werd er geen verschil waargenomen tussen de twee populaties. Kortom, allergie voor koemelkproteïnen tijdens de kinderjaren blijkt geen risicofactor te zijn van multipele sclerose.

Maart 2010
Onderzoek van vroege consumptie van vis en visolie bij de preventie van eczeem en astma (Oien T et al. J Epidemiol Community Health. 2010 Feb; 64(2): 124-9)
In deze studie werd getracht uitsluitsel te geven wat het effect van polyonverzadigde n-3-vetzuren en vis betreft bij de primaire preventie van allergische aandoeningen. In de Noorse cohorte Prevention of Allergy among Children in Trondheim bedroeg de gemiddelde leeftijd waarop werd gestart met het eten van vis, 9,1 maanden. Als de kinderen die eczeem hadden gekregen voor de leeftijd van 1 jaar, bij de analyse werden uitgestoten, verlaagde visconsumptie het risico op ontwikkeling van eczeem (odds ratio 0,62 voor =>1 vis/week, 0,21 voor visolie en 0,67 voor magere vis). De relaties tussen de voeding van de moeder en eczeem op de leeftijd van 2 jaar en tussen voedingsfactoren en astma op de leeftijd van 2 jaar waren niet significant. Volgens die studie zou visconsumptie tijdens de eerste kinderjaren belangrijker zijn bij de preventie van eczeem tijdens de kinderjaren dan het eten van vis tijdens de zwangerschap.

Maart 2010
Een overzicht van het risico op atopie bij kinderen die op jonge leeftijd werden blootgesteld aan vis, visolie of polyonverzadigde langeketenvetzuren
(Kremmyda LS et al. Clin Rev Allergy Immunol. 2009 Dec 9 [Epub ahead of print])
Er zijn 2 grote families van polyonverzadigde langeketenvetzuren, de n-6- en de n-3-familie. En de consumptie ervan zou het risico op allergie kunnen beïnvloeden. Deze auteurs hebben alle studies die daarover werden gepubliceerd, onder de loep genomen. Consumptie van visolie tijdens de zwangerschap zou sensibilisatie voor de gewone voedselallergenen kunnen verminderen en de prevalentie en de ernst van een atopische dermatitis tijdens het eerste levensjaar kunnen verlagen. Het gunstige effect op eczeem, allergische rinitis en astma houdt waarschijnlijk aan tot de adolescentie. Zuigelingen en kinderen die visolie innemen, lopen misschien minder kans om allergische verschijnselen te ontwikkelen, maar die bescherming is mogelijk niet van lange duur. Tot slot is het niet zeker dat de consumptie van visolie werkelijk gunstige effecten heeft bij kinderen met astma. Al bij al zijn de resultaten van de studies onvoldoende, maar ze lijken er toch op te wijzen dat de n-3-familie een beschermend effect heeft. Hoe vroeger het kind visolie inneemt, des te sterker zou het effect zijn.

Februari 2010
Percentage werkelijk allergische kinderen bij overgevoeligheid voor pindanootjes
(Nicolaou N et al. J Allergy Clin Immunol. 2010 Jan; 125(1): 191-7.e1-13.)
Niet alle kinderen die overgevoelig zijn voor pindanootjes, ontwikkelen allergische reacties als ze worden blootgesteld aan pindanootjes. In deze studie werd met orale provocatietests nagegaan welk percentage van de kinderen werkelijk allergisch was voor pindanootjes binnen de groep van de gesensibiliseerde kinderen van een Britse geboortecohorte. 11,8% van de 933 kinderen was overgevoelig voor pindanootjes. Bij die kinderen werden provocatietests uitgevoerd, eventueel dubbelblind en placebogecontroleerd, behalve in geval van een manifeste reactie of een IgE > 15 KE/l. Daarbij werd vastgesteld dat de reële prevalentie van klinische allergie bij die gesensibiliseerde kinderen 22,4% was. Overgevoeligheid voor het bestanddeel Ara H 2 was de sterkste voorspeller van klinische allergie. Kortom, slechts 22,4% van de gesensibiliseerde kinderen zou echt allergisch zijn voor pindanootjes.

Februari 2010
Een specifiek HLA-fenotype bij voedselallergie?
(Savilahti EM et al. Int Arch Allergy Immunol. 2009 Dec; 152(2): 169-177. [Epub ahead of print].)
De immunologische respons van zuigelingen op koemelkproteïnen, die in 2 tot 3% van de gevallen uitmondt in voedselallergie, zou minstens ten dele kunnen afhangen van genetische factoren. Een Finse ploeg heeft bij kinderen die allergisch waren voor koemelkproteïnen, aangetoond dat het haplotype (DR15)-DQB1*0602 gepaard ging met hogere spiegels van specifieke IgG tegen bètalactoglobuline, specifieke IgG4 tegen bètalactoglobuline en specifieke IgG tegen alfacaseïne dan in de controlegroep. Het haplotype (DR1/10)-DQB1*0501 daarentegen ging gepaard met een lagere totale IgG-spiegel en een lagere spiegel van specifieke IgG4 tegen bètalactoglobuline en ovalbumine, vooral in de controlegroep. Bij patiënten met eczema en allergie voor koemelkproteïnen hadden mutaties van filaggrine geen invloed op de immuunrespons. Het HLA II-systeem blijkt dus een invloed te hebben op de vroege humorale respons op voedselallergenen. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20016199

Januari 2010
Voedselallergie: wat is een positieve orale provocatietest?

(Niggemann B. Allergy. 2009 Oct 1. [Epub ahead of print])
Orale provocatietests zijn een standaardonderzoek bij de diagnostiek van voedselallergie en worden uitgevoerd om een duidelijk antwoord te verkrijgen van het type ja of neen. Maar dat antwoord is vaak moeilijk te verkrijgen. Er werden veel voorstellen gedaan om criteria op te stellen voor stopzetting van de orale provocatietest. In de klinische praktijk lijkt het redelijk een provocatietest uit te voeren tot er objectieve en duidelijke symptomen verschijnen zonder de patiënten schade te berokkenen. Hoe eerder de symptomen verschijnen, hoe hoger de kans dat ze een echte positieve reactie weerspiegelen. Hoe hoger het aantal aangetaste organen, des te gemakkelijker kan de test als positief worden beschouwd. Als de reactie weinig duidelijk is, moet de observatie worden voortgezet voor opnieuw eenzelfde dosis van het onderzochte voedingsmiddel wordt gegeven. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19796198?

Januari 2010
Evaluatie van het psychische leed bij kinderen met voedselallergie

(LeBovidge JS et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Dec ; 124(6): 1282-8.)
Jonge kinderen met voedselallergie kunnen psychische stress vertonen als gevolg van een beperking van hun activiteiten, verschillen met andere kinderen en angst. In deze studie werden de verschillende componenten van de psychische stress gemeten met vragenlijsten die door de families werden ingevuld. De gemiddelde scores van angstsymptomen, depressieve symptomen en sociale stress die werden gerapporteerd door de kinderen en de ouders, lagen rond het gemiddelde van de gestandaardiseerde metingen van distress bij kinderen. Bij vergelijking met de normale scores werd over het algemeen geen verschil waargenomen of zelfs minder psychisch leed behalve wat het vermogen betreft om de angst en de angstsymptomen als gevolg van een scheiding te verwerken. Volgens de moeders waren de symptomen ernstiger dan volgens de kinderen zelf. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19910035?

Januari 2010
De immunologische respons is niet dezelfde bij een eosinofiele gastro-enteropathie als bij anafylaxie op pindanootjes

(Prussin C et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Dec ; 124(6): 1326-32.e6.)
Anafylactische reacties bij voedselallergie en eosinofiele maag-darmaandoeningen zijn te wijten aan een Th2-respons en voedselspecifieke IgE, maar de klinische presentatie is erg wisselend. Deze groep heeft de immunologische verschillen onderzocht tussen patiënten die allergisch waren voor pindanootjes, en patiënten met een allergische eosinofiele maag-darmaandoening. Er werden twee onderscheiden populaties van Th2-cellen ontdekt: IL5-positieve en IL5-negatieve. IL5 stimuleert de eosinofielen. IL5-positieve Th2-cellen waren 20-maal frequenter bij een eosinofiele gastro-enteropathie dan bij allergie voor pindanootjes, terwijl de frequentie van IL5-negatieve Th2-cellen dezelfde was in de twee populaties. Het aantal IL5-positieve voedselallergeenspecifieke Th2-cellen was verhoudingsgewijs hoger bij een eosinofiele gastro-enteropathie dan bij allergie voor pindanootjes. In tegenstelling tot wat werd waargenomen bij een eosinofiele gastro-enteropathie, correleerde het aantal IL5-negatieve pindanootjesspecifieke Th2-cellen sterk met de titer van specifieke IgE tegen pindanootjes. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20004787?

Januari 2010
Zelden moet adrenaline worden gegeven en er treden zelden bifasische reacties op bij voedselprovocatietests bij kinderen

(Järvinen KM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Dec ; 124(6): 1267-72.)
Er zijn weinig gegevens over het gebruik van adrenaline en het optreden van bifasische reacties bij allergische kinderen bij voedselprovocatietests die een anafylactische reactie veroorzaken. De details van de orale provocatietests die werden uitgevoerd tussen 1999 en 2007, werden in een gegevensbank gestoken. Bij analyse van die gegevens werd vastgesteld dat er een reactie is opgetreden in 34% van de gevallen. Er werd adrenaline toegediend bij 11% van de positieve provocatietests, dus 3,9% van het totaal, bij 16% van de tests die positief waren op eieren, bij 12% van de tests die positief waren op melk, bij 26% van de tests die positief waren op pindanootjes, bij 33% van de tests die positief waren op noten, bij 7% van de tests die positief waren op soja, bij 3,9% van de tests die positief waren op tarwe, en bij 9% van de tests die positief waren op vis. Reacties waarvoor adrenaline moest worden gegeven, zijn opgetreden bij eerder oudere kinderen (7,9 jaar) en werden vaker uitgelokt door pindanootjes. In 2% van de gevallen betrof het bifasische reacties. Geen enkele reactie leidde tot levensbedreigende respiratoire of cardiovasculaire problemen. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20004784?

Januari 2010
Roken voor de geboorte en postnatale blootstelling aan lood: een 8-maal hoger risico op ADHD bij het kind
(Froehlich TE et al. Pediatrics. 2009 Dec ; 124(6): e1054-63.)
ADHD (aandachtstekort met activiteitsstoornis) heeft een weerslag op de schoolprestaties, het sociale en het gezinsleven van het kind en veroorzaakt leed bij het kind en/of zijn omgeving, die het kind als "onverdraaglijk" kan ervaren. Volgens de gegevens van de 2001/2004 National Health Examination and Survey vertoont 8,7% van de kinderen in de Verenigde Staten ADHD. Het risico op optreden van een dergelijk syndroom stijgt bij prenatale blootstelling aan tabak (odds ratio 2,4) en als de loodspiegel in het bloed verhoogd is op het ogenblik van het onderzoek (odds ratio 2,3). Kinderen die voor de geboorte werden blootgesteld aan tabak en na de geboorte aan lood, lopen een 8-maal hogere kans om ADHD te krijgen.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19933729?

Januari 2010
Voedselallergie neemt toe bij kinderen in de Verenigde Staten
(Branum AM et al. Pediatrics. 2009 Dec; 124(6): 1549-55.)
Deze Amerikaanse auteurs hebben de prevalentie van voedselallergie en de tendens wat voedselallergie betreft onderzocht bij Amerikaanse kinderen. De gegevens die werden verzameld in meerdere cohorten, leren dat 3,9% van de Amerikaanse kinderen jonger dan 18 jaar in 2007 voedselallergie rapporteerde. De prevalentie van door de patiënten gerapporteerde voedselallergie is dus tussen 1997 en 2007 gestegen met 18%. In 2005-2006 konden specifieke IgE tegen pindanootjes worden aangetoond bij ongeveer 9% van de kinderen in de Verenigde Staten. Tussen 2003 en 2006 waren er per jaar gemiddeld 317 000 opnames op de spoedgevallendienst of visites wegens voedselallergie. De incidentie van voedselallergie zou dus eerder toenemen in de Verenigde Staten.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19917585?

Januari 2010
Multivitaminesupplementen tijdens de eerste levensjaren zouden het risico op voedselallergie op schoolgaande leeftijd kunnen verlagen

(Marmsjö K et al. Am J Clin Nutr. 2009 Dec; 90(6): 1693-8.)
Kinderen krijgen vaak multivitamines en mogelijk spelen die een rol bij het uitlokken van allergie. In een Zweedse geboortecohorte werd gezocht naar een eventueel verband tussen multivitaminesupplementen en allergische aandoeningen op de leeftijd van 8 jaar. Er was geen sterke, consistente relatie tussen het gebruik van multivitamines op de leeftijd van 8 jaar en astma, allergische rinitis, eczema of atopische sensibilisatie. Maar kinderen die multivitamines hadden ingenomen voor de leeftijd van 4 jaar, waren later, op de leeftijd van 8 jaar, minder vaak overgevoelig voor voedselallergenen (odds ratio: 0,61; 95% BI: 0,39 - 0,97) en ook was er een tendens tot een negatieve correlatie met allergische rinitis. Er werd geen verband waargenomen met de consumptie van multivitamines op de leeftijd van 5 jaar of later.

Januari 2010
Antioxidantia in de voeding zouden kunnen beschermen tegen allergische sensibilisatie
(Patel S et al. Allergy. 2009 Dec; 64(12): 1766-72.)
De prevalentie van allergische aandoeningen is de laatste decennia gestegen. De reden daarvan is niet duidelijk, maar veranderingen van de levenswijze of de omgeving zouden een essentiële rol kunnen spelen. Een van de mogelijke oorzaken is een geringere inname van antioxidantia door een geringere consumptie van vers fruit en groenten. Deze studie werd uitgevoerd door middel van vragenlijsten en had tot doel te zoeken naar ene verband tussen de inname van antioxidantia op de leeftijd van 5 jaar en atopie op de leeftijd van 5 en 8 jaar in een niet-geselecteerde geboortecohorte. De resultaten waren dat een hogere consumptie van bètacaroteen op de leeftijd van 5 jaar gepaard ging met een lager risico op allergische sensibilisatie en een lager IgE-gehalte bij kinderen van 5 en 8 jaar.

December 2009
Bij allergie voor eieren zal een perorale provocatietest de stress in het gezin verminderen
(Kemp AS et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Nov; 20(7): 648-53.)
Allergie voor eieren is een van de frequentste vormen van voedselallergie en is sterk geassocieerd met atopische dermatitis, eveneens een frequente aandoening. Op de leeftijd van 2 jaar zou minstens 1 tot 2% van de kinderen allergisch zijn voor eieren. De allergie kan spontaan verdwijnen net zoals de meeste andere vormen van voedselallergie bij zuigelingen, maar ondertussen is het toch maar een bron van stress voor de ouders, die de levenskwaliteit van het kind en meer nog van het hele gezin ondermijnt. Een Australische groep heeft aangetoond dat een orale provocatietest met eieren een gunstig effect heeft op de gemoedsgesteldheid van de ouders. De ouders van kinderen die de test hebben ondergaan en dus weten hoe hun kind erop reageert, blijken minder ongerust te zijn dan de ouders van kinderen die de test niet hebben ondergaan, en ze hebben het ook minder moeilijk om de preventieve maatregelen na te leven. De test is niet steeds noodzakelijk om de diagnose te stellen, maar heeft een psychologisch gunstig effect op het gezin.

November 2009
Veroorzaakt toevoeging van supplementen aan moedermelk allergie voor koemelkproteïnen?
(Vlieghe V et al. Allergy. 2009 Nov ; 64: (11)1690-1.)
Recentelijk werden gevallen gepubliceerd van pasgeborenen die borstvoeding kregen en toch een allergie voor koemelkproteïnen ontwikkelden. Moedermelk dekt de voedingsbehoeften van prematuren met een zeer laag geboortegewicht niet op lange termijn. De moedermelk moet daarom worden aangevuld met eiwitten, calorieën en mineralen. Sommige fabrikanten hebben supplementen in poedervorm ontwikkeld, die verschillende voedingsstoffen bevatten, en dat poeder kan gewoon aan de moedermelk worden toegevoegd (1 tot 4 g/100 ml). Die supplementen worden bereid uitgaande van (doorgaans niet-gehydrolyseerde) koemelkproteïnen. Net zoals andere kinderen kunnen prematuren allergisch worden voor koemelkproteïnen. Allergie voor koemelkproteïnen komt even vaak voor bij prematuren als bij normale kinderen. Het gebruik van die supplementen kan dus ongetwijfeld allergie veroorzaken bij premature kinderen net zoals bij voldragen kinderen.

Oktober 2009
Aanbevelingen voor griepvaccinatie van kinderen die allergisch zijn voor eieren

(Erlewyn-Lajeunesse M et al. BMJ. 2009 Sep ; 339: b3680. doi: 10.1136/bmj.b3680.)
2,6% van de kinderen jonger dan drie jaar is allergisch voor eieren. Inenting met vaccins op basis van eieren is dan ook een relatieve contra-indicatie in die groep (voorzorgsmaatregelen bij het voorschrijven). In dit overzichtsartikel wordt het beleid beschreven bij kinderen die allergisch zijn voor eieren. Het geeft vijf aanbevelingen.

  1. Griepvaccins die gemaakt zijn op een cultuur van zoogdiercellen en niet op eieren, moeten de voorkeur krijgen bij kinderen die allergisch zijn voor eieren.
  2. Als er geen vaccin zonder ei te verkrijgen is, mogen enkel vaccins waarvan het gehalte aan ei niet hoger is dan 1,2 µg/ml, worden gebruikt bij kinderen die allergisch zijn voor eieren.
  3. Toediening van een vaccin gemaakt op basis van eieren aan een allergische patiënt mag enkel gebeuren in een centrum dat ervaring heeft met de behandeling van anafylaxie.
  4. Bij kinderen die weinig allergisch zijn of bij wie de allergie weinig ernstig is, wordt een enkele dosis aanbevolen.
  5. Een schema bestaande uit twee aparte doses is geïndiceerd bij patiënten die een anafylactische reactie op eieren zouden kunnen ontwikkelen, en bij patiënten met een matig of slecht gecontroleerd astma.

Informatie uit de bijsluiter van Mexicaanse griep vaccin: NIET GEBRUIKEN BIJ ALLERGIE

U dient Pandemrix niet toegediend te krijgen :

  1. als u in het verleden een plotselinge levensbedreigende allergische (overgevoeligheids) reactie heeft gehad op een van de bestanddelen van Pandemrix (deze zijn vermeld aan het eind van deze bijsluiter in rubriek 6)
  2. of op een van de stoffen die mogelijk in heel kleine hoeveelheden achter zijn gebleven, te weten ei en kippeneiwit, ovalbumine, formaldehyde, gentamicinesulfaat (een antibioticum) of natriumdeoxycholaat.
  3. Verschijnselen van een allergische (overgevoeligheids) reactie kunnen bijvoorbeeld bestaan uit jeukende huiduitslag, kortademigheid en opzwellen van het gezicht of de tong

Als u niet zeker weet of u allergisch bent, raadpleeg dan uw arts of apotheker.

Wees extra voorzichtig met Pandemrix:

  1. als u een andere allergische reactie heeft gehad dan een plotselinge levensbedreigende allergische (overgevoeligheids)reactie op een van de bestanddelen van het vaccin, of op 3 thiomersal, eieren, kippeneiwit, ovalbumine, formaldehyde, gentamycinesulfaat (een antibioticum) of natriumdeoxycholaat (zie rubriek 6).
  2. als u een ernstige infectie met verhoging heeft (meer dan 38°C). Als dit bij u het geval is, zal de vaccinatie gewoonlijk worden uitgesteld totdat u zich beter voelt. Een lichte infectie, zoals een verkoudheid, zou geen probleem mogen zijn maar uw arts zal u adviseren of u met Pandemrix gevaccineerd kunt worden
  3. als u een bloedonderzoek krijgt om te onderzoeken of u een infectie met bepaalde virussen heeft. De eerste paar weken na vaccinatie met Pandemrix kunnen de resultaten van deze testen verstoord zijn. Vertel de arts die deze testen aanvraagt dat u onlangs Pandemrix heeft gekregen

Wanneer één van bovenstaande gevallen op u van toepassing is, VERTEL DIT AAN UW ARTS OF VERPLEEGKUNDIGE, omdat vaccinatie mogelijk niet wordt aanbevolen of omdat vaccinatie uitgesteld moet worden. Vertel uw arts of verpleegkundige indien u een bloedingsziekte heeft of snel blauwe plekken krijgt.

Mogelijke bijwerkingen
Zoals alle geneesmiddelen kan Pandemrix bijwerkingen veroorzaken, hoewel niet iedereen deze bijwerkingen krijgt. Na vaccinatie kunnen allergische (overgevoeligheids)reacties optreden, die in uitzonderlijke gevallen zelfs kunnen resulteren in shock. Artsen zijn hiermee bekend en hebben in voorkomende gevallen een spoedbehandeling beschikbaar. Bij klinische studies met een gelijksoortig vaccin waren de meeste bijwerkingen mild van aard en kortdurend. De bijwerkingen zijn doorgaans vergelijkbaar met die van het seizoensgebonden griepvaccin. De bijwerkingen die hieronder worden vermeld zijn omschreven volgens de volgende afspraken:

Zeer vaak (komt voor bij meer dan 1 op de 10 mensen)
Vaak (komt voor bij 1 tot 10 op 100 mensen)
Soms (komt voor bij 1 tot 10 op de 1.000 mensen)
Zelden (komt voor bij 1 tot 10 op de 10.000 mensen)
Zeer zelden (komt voor bij minder dan 1 op de 10.000 mensen)

De hieronder vermelde bijwerkingen zijn opgetreden met Pandemrix tijdens klinische studies bij volwassenen, met inbegrip van ouderen, en bij kinderen in de leeftijd van 3 tot 9 jaar:

Zeer vaak
• hoofdpijn
• vermoeidheid
• pijn, roodheid, zwelling of verharding op de injectieplaats
• koorts
• pijn in spieren of gewrichten

Vaak
• warm gevoel, jeuk of blauwe plek op de injectieplaats
• meer zweten, rillingen, griepachtige verschijnselen
• gezwollen klieren in de hals, oksels of liesstreek

Soms
• tinteling of gevoelloosheid in handen of voeten
• slaperigheid
• duizeligheid
• diarree, braken, buikpijn, gevoel van misselijkheid
• jeuk, huiduitslag
• algeheel gevoel van niet lekker zijn
• slapeloosheid

Bij kinderen in de leeftijd van 3 tot 9 jaar kwam koorts vaker voor wanneer de volwassenendosering (0,5 ml van het vaccine) was toegediend dan wanneer de halve dosering (0,25 ml van het vaccin) was toegediend. Bovendien kwam koorts vaker voor bij kinderen in de leeftijd van 6 tot 9 jaar dan bij kinderen van 3 tot 5 jaar. Deze bijwerkingen verdwijnen meestal zonder behandeling binnen 1 à 2 dagen. Indien deze bijwerkingen aanhouden, WAARSCHUW DAN UW ARTS.

De bijwerkingen zoals hieronder vermeld, kunnen optreden in de dagen of weken na vaccinatie met vaccins die ieder jaar worden gegeven ter preventie van de griep.
Deze bijwerkingen kunnen optreden bij het gebruik van Pandemrix.

Soms
• gegeneraliseerde huidreacties met inbegrip van bultjes (urticaria)

Zelden
allergische (overgevoeligheids) reacties, resulterend in een gevaarlijke bloeddrukverlaging, die, indien onbehandeld, kan leiden tot shock. Artsen zijn hiermee bekend en hebben in voorkomende gevallen een spoedbehandeling beschikbaar
• toevallen
• ernstige stekende of kloppende pijn in een of meerdere zenuwen
• lage bloedplaatjestelling die kan leiden tot bloedingen of blauwe plekken

Zeer zelden
• vaatontstekingen (ontstekingen van bloedvaten die huiduitslag, gewrichtspijn en nierproblemen kunnen veroorzaken)
• zenuwstelselafwijkingen, zoals encefalomyelitis (een ontsteking van het centrale zenuwstelsel), ontsteking van zenuwen en een vorm van verlamming beter bekend als het syndroom van Guillan- Barré.

Indien een van deze bijwerkingen optreedt, vertel dit dan onmiddellijk uw artS.

MELDEN VAN BIJWERKINGEN: LAREB.NL

Oktober 2009
Risico op anafylactische shock bij kinderen die allergisch zijn voor zeevruchten
(Kandyil RM et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Aug ; 20(5): 408-14 ; quiz 414.)
Negentig percent van de gevallen van voedselallergie bij kinderen is toe te schrijven aan slechts 8 voedingsmiddelen : koemelk, eieren, soja, pindanootjes, noten, tarwe, vis en zeevruchten. De voedselallergie verdwijnt meestal met de leeftijd. Dat is echter niet zo bij allergie voor schaalvruchten of zeevruchten; die laatste allergie kan aanhouden op volwassen leeftijd. Drie observaties illustreren de variabiliteit van de klinische verschijnselen van die allergie. De symptomen gaan van matige urticaria tot anafylactische shock, zelfs bij een geringe inname. Allergie voor zeevruchten gaat vaak gepaard met allergie voor huismijt, huisstof en kakkerlakken. Er zijn geen diagnostische waarden wat de serumconcentratie van specifieke immunoglobulines E betreft. Ter herinnering, allergie voor zeevruchten is een belangrijke oorzaak van anafylactische shock bij kinderen.

Oktober 2009
Neonatale allergie op koemelk: een Japanse reeks
(Miyazawa T et al. Pediatr Int. 2009 Aug ; 51(4): 544-7.)
Deze Japanse multicentrische studie werd uitgevoerd bij 69 796 pasgeborenen die waren opgenomen in 145 ziekenhuizen. De incidentie van koemelkallergie bij de pasgeborenen op eenheden voor neonatologie bedroeg 0,21% (0,35% in geval van geboortegewicht lager dan 1000 g). De frequentste symptomen waren bloed in de stoelgang (38,6% van de gerapporteerde gevallen), diarree (31%) en braken (11,7%). De auteurs benadrukken dat de huidige tests misschien niet volstaan om late niet door IgE gemedieerde allergische reacties te diagnosticeren bij zuigelingen.

Oktober 2009
Borstvoeding zou beschermen tegen de ontwikkeling van inflammatoire darmaandoeningen

(Barclay AR et al. J Pediatr. 2009 Sep ; 155(3): 421-6.)
Er werd een systematische review uitgevoerd van de klinische studies die werden gepubliceerd tussen januari 1966 en januari 2008, om het effect van borstvoeding te onderzoeken op de ontwikkeling van inflammatoire darmaandoeningen bij kinderen jonger dan 16 jaar. In het totaal werden er 79 artikels gevonden. In 20 artikels werd het verband beschreven tussen borstvoeding en de ontwikkeling van een inflammatoire darmaandoening. Borstvoeding beschermt significant (odds ratio, OR 0,69; p = 0,02) tegen de ontwikkeling van inflammatoire darmaandoeningen op zeer jonge leeftijd. Er werd een niet-significant verschil waargenomen tussen de ziekte van Crohn (OR 0,72; p = 0,06) en colitis ulcerosa (OR 0,64; p = 0,09). Maar de kwaliteit van de gegevens is verre van optimaal en er zijn geen goede prospectieve studies.

Oktober 2009
Borstvoeding beperkt de gewichtstoename de eerste drie jaar na de geboorte
(Griffiths LJ et al. Arch Dis Child. 2009 Aug ; 94(8): 577-82.)
Wat is het verband tussen de eerste voeding van het kind en de latere gewichtstoename tot de leeftijd van drie jaar? In een prospectieve, representatieve, nationale studie die werd uitgevoerd in Engeland, Wales, Schotland en Noord-Ierland, werd aangetoond dat borstvoeding een significante invloed heeft op de gewichtstoename de eerste drie jaar na de geboorte. Kinderen die geen borstvoeding kregen, kwamen sneller aan dan kinderen die borstvoeding kregen. Er was zelfs een verschil in gewicht tussen de kinderen die minder dan vier maanden borstvoeding kregen, en de kinderen die minstens vier maanden borstvoeding kregen. Vroege toediening van vast voedsel had geen invloed op de gewichtstoename na drie jaar na correctie voor de lichaamslengte. Borstvoeding zou dus een te sterke gewichtstoename de eerste levensjaren kunnen tegengaan.

Oktober 2009
Probiotica bij het spenen verlagen de incidentie van eczeem

(West CE et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Aug ; 20(5): 430-7.)
Er werd al veel onderzoek uitgevoerd met probiotica bij de preventie van allergie en meer bepaald van eczeem. In deze studie werd het effect onderzocht van een lactobacil op de incidentie van eczeem en het immunologische evenwicht tussen Th1 en Th2 tijdens het spenen. In deze dubbelblinde, placebogecontroleerde studie kregen de kinderen tijdens het spenen graangewassen ofwel graangewassen aangevuld met Lactobacillus F19 van de leeftijd van 4 tot 13 maanden. De cumulatieve incidentie van eczeem was 11% in de groep graangewassen + probioticum en 22% in de groep die alleen graangewassen had gekregen (p < 0,005). Op de leeftijd van 3 maanden was de verhouding tussen het mRNA van IFN-? en dat van IL4 hoger in de groep die het probioticum had gekregen, dan in de placebogroep. Dat wijst erop dat het gunstige klinische effect zich ook uit in de immunologische balans tussen Th1 en Th2.

September 2009
Sterke toename van allergie bij schoolgaande kinderen tussen 1996 en 2006 in het noorden van Zweden
(Rönmark E et al. J Allergy Clin Immunol. Aug ; 124(2): 357-63, 63.e1-15.)
Wat is de huidige tendens wat allergie betreft? Twee groepen jongeren van 18 jaar werden vergeleken met een interval van 10 jaar in het noorden van Zweden: een groep in 1996 en een andere in 2006. De prevalentie van positieve huidtests was gestegen van 21% in 1996 tot 30% in 2006. Het type allergie was hetzelfde gebleven. Allergie voor katten was de frequentste allergie. Familiale antecedenten van allergie waren een significante risicofactor. In die periode werd echter geen significante stijging van de prevalentie van wheezing, rinitis en eczema waargenomen, hoewel die bij kleine kinderen sterk correleren met voedselallergie.

September 2009
Identificatie van nieuwe allergeen in melk met een nieuwe techniek voor opsporing van voedselallergenen, de peptide microarray
(Lin J et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Aug ; 124(2): 315-22, 322.e1-3.)
De peptide microarray is een nieuwe techniek waarmee gemakkelijker peptiden die allergie veroorzaken, (epitopen) kunnen worden opgespoord in een kleine hoeveelheid bloed. De studie werd uitgevoerd bij kinderen met voedselallergie. De epitopen die met de peptide microarray werden geïdentificeerd, strookten volledig met wat werd beschreven met membrane spot technieken. Maar met de peptide microarray konden nog andere epitopen van allergenen in melk in het licht worden gesteld. De gegevens zijn reproduceerbaar en bevestigen dat de binding specifiek is. De techniek werd uitgewerkt uitgaande van melkeiwitten, maar kan uiteraard ook worden toegepast op andere allergenen.

September 2009
In een Amerikaanse studie werd het effect onderzocht van inductie van orale tolerantie bij patiënten die allergisch waren voor pindanootjes
(Jones SM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Aug ; 124(2): 292-300, 300.e1-97.)
Tolerantie voor pindanootjes kan worden geïnduceerd met bepaalde technieken waarbij een stijgende hoeveelheid pindanootjes per os wordt toegediend. In een eerste studie beschrijft de groep van W. Burks de veiligheid van de methode. In een tweede studie wordt de doeltreffendheid van de techniek besproken. Daarin wordt aangetoond dat 27 van de 29 patiënten die het protocol hadden voltooid, op het einde van de procedure 3,9 g eiwit kon verdragen tijdens een provocatietest. De meeste symptomen die werden waargenomen tijdens de provocatietest, verdwenen spontaan of konden worden behandeld met een antihistaminicum. Na 6 maanden waren de huidtests en de tests van activering van basofielen significant verminderd. Het gehalte aan specifieke IgE daalde na 12 tot 18 maanden, terwijl het IgG4-gehalte steeg. Volgens cellulaire studies wekt die immunotherapie apoptose op.

September 2009
Voedselallergie : een strikt restrictiedieet is niet de enige mogelijke respons
(Allen CW et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Aug ; 20(5): 415-22.)
De behandeling van voedselallergie bestaat uit het vermijden van het oorzakelijke allergeen om immunologische reacties te voorkomen of alleszins de kans erop te verkleinen. Daarom wordt een restrictiedieet aangeraden om het risico op sensibilisatie bij pasgeborenen te verlagen en om het optreden van klinische reacties bij kinderen met een bewezen immunologische reactiviteit te voorkomen. Maar uit dierexperimenteel onderzoek en ook uit observaties bij de mens is gebleken dat tolerantie voor allergenen kan worden opgewekt door toediening een min of meer grote hoeveelheid voedselallergenen. Een van de discussiepunten bij de behandeling van voedselallergie is dan ook: een strikt vermijden van het allergeen of omgekeerd progressieve toediening

September 2009
Borstvoeding vermindert overgewicht en vertraagt de gewichtstoename

(Rzehak A et al. Eur J Epidemiol. 2009 ; 24(8) : 449-67.)
Er werd een nieuwe epidemiologische analyse verricht van de geboortecohorten GINI + en LISA +, die meer dan 7000 voldragen pasgeborenen volgen in vier Duitse centra. Het verschil in snelheid van gewichtstoename tussen de kinderen die borstvoeding kregen en de andere bedroeg - 18 g/maand de eerste 3 levensmaanden, - 93 g/maand van de 4e tot de 6e levensmaand en - 14 g/maand van de 7e tot de 12e maand en - 3 g per maand na de 24e maand. Er was geen verschil in groeisnelheid tussen de kinderen die borstvoeding kregen, en de kinderen die geen borstvoeding kregen. Kortom, de lengtegroei bij de kinderen die borstvoeding kregen, was vergelijkbaar met die bij de kinderen die flesvoeding kregen, maar de kinderen die borstvoeding kregen, kwamen minder bij in gewicht en dat hing samen met een minder snelle gewichtstoename, vooral tijdens de eerste 6 levensmaanden.

September 2009
Een systematische review van probiotica bij de behandeling van eczeem (Cochranemeta-analyse)

(Boyle RJ et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 395(8): 1117-27.)
Eczeem wordt vaak behandeld met probiotica, maar hun doeltreffendheid is nog niet heel duidelijk. Er werd een Cochraneanalyse uitgevoerd van 12 studies die voldeden aan de selectiecriteria. Bij een meta-analyse van 5 van die studies werd geen significante vermindering van de symptomen van het eczeem waargenomen bij behandeling met probiotica in vergelijking met de placebo. Bij een meta-analyse van 7 studies werd evenmin een significante vermindering van de ernst van het eczeem volgens de onderzoeker waargenomen met probiotica in vergelijking met de placebo. Bij analyse van subgroepen naargelang van de ernst van het eczeem of aanwezigheid van atopie werd geen specifieke populatie gevonden waarin een behandeling met probiotica doeltreffend zou zijn. De studies waren echter zeer heterogeen. Op grond van onze huidige kennis kunnen probiotica niet worden aanbevolen bij de behandeling van eczeem.

September 2009
Met een test van activering van basofielen bij voedselallergie zou de klinische reactiviteit op voedsel kunnen worden voorspeld
(Ocmant A et al. Clin Exp Allergy 2009 Aug ; 39(8): 1234-1245.)
Bij patiënten met voedselallergie kunnen huidtests en dosering van specifieke IgE wijzen op een sensibilisatie, maar met die tests kunnen patiënten die klinisch reageren, niet worden onderscheiden van mensen die overgevoelig zijn, maar het voedingsmiddel toch verdragen. Deze vorsers hebben de test van activering van basofielen uitgevoerd bij patiënten die overgevoelig waren voor pindanootjes. Na toediening van pindanootjes in vitro werden de basofielen van kinderen die allergisch waren voor pindanootjes, sterker geactiveerd dan die van de controlekinderen. Soortgelijke resultaten werden verkregen bij allergie voor eieren. Interessant is dat bij de meeste kinderen die enkel overgevoelig waren, maar geen klinische reacties vertoonden op pindanootjes of eieren, de basofielen niet werden geactiveerd in aanwezigheid van pindanootjes of ovalbumine. De test van activering van basofielen blijkt dus een zekere voorspellende waarde te hebben wat de klinische reactie op het voedingsmiddel betreft bij een provocatietest.

September 2009
Het resultaat van een provocatietest met eieren voorspellen met een huidtest

(Tripodi S et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 39(8): 1225-33.)
Een perorale provocatietest blijft de gouden standaard bij voedselallergie, de enige waarmee de reactiviteit van de patiënt echt kan worden geëvalueerd. Maar die test is tijdrovend. Een techniek om een positieve provocatietest te voorspellen, zou dus zeer welkom zijn. Huidtests kunnen worden uitgevoerd met een "getitreerd" systeem, waarbij de concentratie geleidelijk wordt verdund tot er uiteindelijk geen papel meer verschijnt. In een retrospectieve studie werd aangetoond dat de techniek van huidtests met progressieve dilutie van het extract een goede discriminerende waarde heeft en zeer correct voorspelt of de orale provocatietest positief of negatief zal zijn. De ideale verdunning is 1/256, wat overeenstemt met een concentratie van 5,9 microg/ml voor ovotransferrine, 22,2 microg/ml voor ovalbumine en 1,4 microg/ml lysozym.

September 2009
Borstvoeding vermindert overgewicht en vertraagt de gewichtstoename

(Rzehak A et al. Eur J Epidemiol. 2009 ; 24(8) : 449-67.)
Er werd een nieuwe epidemiologische analyse verricht van de geboortecohorten GINI + en LISA +, die meer dan 7000 voldragen pasgeborenen volgen in vier Duitse centra. Het verschil in snelheid van gewichtstoename tussen de kinderen die borstvoeding kregen en de andere bedroeg - 18 g/maand de eerste 3 levensmaanden, - 93 g/maand van de 4e tot de 6e levensmaand en - 14 g/maand van de 7e tot de 12e maand en - 3 g per maand na de 24e maand. Er was geen verschil in groeisnelheid tussen de kinderen die borstvoeding kregen, en de kinderen die geen borstvoeding kregen. Kortom, de lengtegroei bij de kinderen die borstvoeding kregen, was vergelijkbaar met die bij de kinderen die flesvoeding kregen, maar de kinderen die borstvoeding kregen, kwamen minder bij in gewicht en dat hing samen met een minder snelle gewichtstoename, vooral tijdens de eerste 6 levensmaanden.

September 2009
Een systematische review van probiotica bij de behandeling van eczeem (Cochranemeta-analyse)
(Boyle RJ et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 395(8): 1117-27.)
Eczeem wordt vaak behandeld met probiotica, maar hun doeltreffendheid is nog niet heel duidelijk. Er werd een Cochraneanalyse uitgevoerd van 12 studies die voldeden aan de selectiecriteria. Bij een meta-analyse van 5 van die studies werd geen significante vermindering van de symptomen van het eczeem waargenomen bij behandeling met probiotica in vergelijking met de placebo. Bij een meta-analyse van 7 studies werd evenmin een significante vermindering van de ernst van het eczeem volgens de onderzoeker waargenomen met probiotica in vergelijking met de placebo. Bij analyse van subgroepen naargelang van de ernst van het eczeem of aanwezigheid van atopie werd geen specifieke populatie gevonden waarin een behandeling met probiotica doeltreffend zou zijn. De studies waren echter zeer heterogeen. Op grond van onze huidige kennis kunnen probiotica niet worden aanbevolen bij de behandeling van eczeem.

September 2009
Met een test van activering van basofielen bij voedselallergie zou de klinische reactiviteit op voedsel kunnen worden voorspeld

(Ocmant A et al. Clin Exp Allergy 2009 Aug ; 39(8): 1234-1245.)
Bij patiënten met voedselallergie kunnen huidtests en dosering van specifieke IgE wijzen op een sensibilisatie, maar met die tests kunnen patiënten die klinisch reageren, niet worden onderscheiden van mensen die overgevoelig zijn, maar het voedingsmiddel toch verdragen. Deze vorsers hebben de test van activering van basofielen uitgevoerd bij patiënten die overgevoelig waren voor pindanootjes. Na toediening van pindanootjes in vitro werden de basofielen van kinderen die allergisch waren voor pindanootjes, sterker geactiveerd dan die van de controlekinderen. Soortgelijke resultaten werden verkregen bij allergie voor eieren. Interessant is dat bij de meeste kinderen die enkel overgevoelig waren, maar geen klinische reacties vertoonden op pindanootjes of eieren, de basofielen niet werden geactiveerd in aanwezigheid van pindanootjes of ovalbumine. De test van activering van basofielen blijkt dus een zekere voorspellende waarde te hebben wat de klinische reactie op het voedingsmiddel betreft bij een provocatietest.

September 2009
Het resultaat van een provocatietest met eieren voorspellen met een huidtest
(Tripodi S et al. Clin Exp Allergy. 2009 Aug ; 39(8): 1225-33.)
Een perorale provocatietest blijft de gouden standaard bij voedselallergie, de enige waarmee de reactiviteit van de patiënt echt kan worden geëvalueerd. Maar die test is tijdrovend. Een techniek om een positieve provocatietest te voorspellen, zou dus zeer welkom zijn. Huidtests kunnen worden uitgevoerd met een "getitreerd" systeem, waarbij de concentratie geleidelijk wordt verdund tot er uiteindelijk geen papel meer verschijnt. In een retrospectieve studie werd aangetoond dat de techniek van huidtests met progressieve dilutie van het extract een goede discriminerende waarde heeft en zeer correct voorspelt of de orale provocatietest positief of negatief zal zijn. De ideale verdunning is 1/256, wat overeenstemt met een concentratie van 5,9 microg/ml voor ovotransferrine, 22,2 microg/ml voor ovalbumine en 1,4 microg/ml lysozym.

Augustus 2009
Risicofactoren van astma bij kinderen van 6-7 jaar in Nieuw-Zeeland: hebben eieren en melk een beschermend effect?
(Mitchell EA et al. J Paediatr Child Health. 2009 May 28. [Epub ahead of print])
Er werd een studie uitgevoerd in meerdere steden in Nieuw-Zeeland bij meer dan 10 000 kinderen van 6-7 jaar. Daarin werd aangetoond dat 22,2% van de kinderen wheezing had vertoond tijdens de vorige 12 maanden. Het gebruik van antibiotica en paracetamol tijdens het eerste levensjaar verhoogde het risico op wheezing. Ook inactiviteit (gedefinieerd als meer dan 5 uur tv-kijken per dag) verhoogde het risico op wheezing. Maar de consumptie van melk en eieren de vorige 12 maanden verlaagde het risico. Het is niet duidelijk hoe de consumptie van eieren en melk het risico op wheezing verlaagt.

Augustus 2009
Orale inductie van tolerantie in een kleine reeks van ernstige allergie voor pindanootjes
(Clark AT et al. Allergy 2009 Aug ; 64(8): 1218-20.)
Allergie voor pindanootjes is een frequent, potentieel ernstig probleem, dat vanaf een zekere leeftijd spontaan geneest. Deze auteurs beschrijven de resultaten van orale inductie van tolerantie bij vier kinderen. De provocatietests voor inductie van tolerantie veroorzaakten een reactie op doses van 5 tot 50 mg pindanootjeseiwitten (1/40-1/4 pindanootjes). Tolerantie werd opgewekt door dagelijkse toediening van pindanootjesmeel in een dosering die geleidelijk werd verhoogd van 5 tot 800 mg eiwitten. De dosering werd tweemaal per week verhoogd. De getolereerde dosis werd na 6 weken opnieuw geëvalueerd. Er diende geen enkele injectie van adrenaline te worden gegeven. Alle kinderen hebben de progressieve verhoging van de dosering verdragen tot 800 mg eiwit. Op het einde van de tolerantie-inductie verdroegen alle kinderen een dosis van 10 pindanootjes.

Juli 2009
Voeding van de moeder, het type voeding, de timing van spenen en de ontwikkeling van voedselallergie bij zuigelingen
(Venter C et al. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Jun ; 20(4): 320-7.)
De voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding, de wijze van voeding van de baby en het spenen zouden een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van voedselallergie. Deze studie werd uitgevoerd bij vrouwen die 12 weken zwanger waren. Na 36 weken zwangerschap werd een vragenlijst ingevuld. De kinderen werden geëvalueerd op de leeftijd van 1, 2 en 3 jaar met een reeks voedselallergenen. De voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en de duur van de borstvoeding hadden geen invloed op de ontwikkeling van voedselallergie, maar de leeftijd waarop de baby werd gespeend (>/= 16 weken), had invloed op de ontwikkeling van overgevoeligheid en voedselallergie op de leeftijd van 1 en 3 jaar. Maar de kinderen die bepaalde voedingsmiddelen niet hadden gekregen voor de leeftijd van 3 tot 6 maanden, liepen minder risico om overgevoelig te worden of voedselallergie te ontwikkelen. Interessant is dat moeders met familiale antecedenten van allergie vaker louter borstvoeding gaven op de leeftijd van 3 maanden en hun kinderen geen pindanootjes gaven op de leeftijd van 6 maanden.

Juli 2009
Voedselallergie en overgevoeligheid voor voedingsmiddelen tijdens de eerste kinderjaren: de DARC-cohorte
(Eller E et al. Allergy. 2009 Feb 12. [Epub ahead of print])
In de DARC-studie (Danish Allergy Research Centre) werden 562 kinderen vanaf de geboorte gevolgd. 20 kinderen hebben een bewezen allergie voor melk, eieren en pindanootjes ontwikkeld. De frequentie van allergie was maximaal op de leeftijd van 18 maanden (3,6%) en daalde dan tot 1,2% op de leeftijd van 72 maanden. Na 3 maanden werd geen enkel nieuw geval meer waargenomen. Het aantal gevallen van allergie dat door de familie werd gemeld, was 3-maal hoger dan het medisch bewezen aantal gevallen. 14,8% van de kinderen met atopische dermatitis vertoonde een voedselallergie.

Juli 2009
Hangt de wens tot borstvoeding af van het scholingsniveau van de vrouw?
(van Rossem L et al. Pediatrics. 2009 Jun ; 123(6): e1017-27.)
Waarom start een vrouw borstvoeding en zet ze die voldoende lang voort ? Welke rol spelen de sociaal-demografische omgeving, de levenswijze, psychosociale factoren en de kenmerken van de geboorte? In een prospectieve studie van een Nederlandse geboortecohorte werd aangetoond dat 95% van de hoogst geschoolde vrouwen borstvoeding startte. Bij minder geschoolde vrouwen was dat maar 73,1%. Na 6 maanden gaven 39,3% van de vrouwen met het hoogste opleidingsniveau en 15,2% van de vrouwen met het laagste scholingsniveau nog steeds borstvoeding. Verschillen in opleiding blijken vooral een rol te spelen bij het opstarten en het voortzetten van de borstvoeding tot 2 maanden, maar niet bij het voortzetten van borstvoeding tussen 2 en 6 maanden. De beslissing om borstvoeding te geven hangt dus in sterke mate af van verschillen in scholingsniveau.

Juni 2009
Behandeling van voedselallergie op school: de plaats van allergologen
(Young MC et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Jun 1. [Epub ahead of print])
Volgens een epidemiologische studie neemt voedselallergie toe bij kinderen van schoolgaande leeftijd en zou de prevalentie nu ongeveer een op de 25 kinderen bedragen. Voedselallergie is een belangrijke uitdaging voor de school. De school moet zorgen voor preventie (eliminatie van allergenen) en de leerkrachten moeten leren hoe ze een anafylactische reactie kunnen herkennen en behandelen. In tal van studies is aangetoond dat er daar onvoldoende werk van wordt gemaakt. Er werden wel al enkele richtlijnen gepubliceerd. De allergoloog speelt een sleutelrol: hij kan de gezinnen, de school, de administratie en de wetgever bijstaan bij de ontwikkeling van richtlijnen die de veiligheid van kinderen met voedselallergie verhogen.

Juni 2009
Orale immunotherapie bij kinderen die allergisch zijn voor pindanootjes: een onderzoek naar de veiligheid van de techniek

(Hofmann AM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 May 26. [Epub ahead of print])
Orale immunotherapie is een veelbelovende behandeling bij voedselallergie en wordt nu ook uitgeprobeerd bij allergie voor pindanootjes. Bij orale immunotherapie worden stijgende hoeveelheden pindanootjes per os toegediend, wat dus ernstige reacties zou kunnen uitlokken. Deze auteurs hebben de bijwerkingen van een dergelijke behandeling onderzocht bij 28 patiënten. Op de eerste dag van toediening van de doses in het ziekenhuis vertoonde 79% van de kinderen respiratoire symptomen en 68% abdominale symptomen. 18% van de kinderen ontwikkelde wheezing. Tijdens de tweede fase thuis, de consolideringsfase, tijdens dewelke de kinderen progressief stijgende doses kregen, vertoonde 46% van de kinderen symptomen: 29% vertoonde symptomen van de bovenste luchtwegen en 24% huidverschijnselen. Tijdens de onderhoudsfase, tijdens dewelke de kinderen 300 mg pinda-eiwitten per dag innamen, bedroeg het risico op reacties 3,5%. 2 van de 28 kinderen moesten met adrenaline worden behandeld.

Juni 2009
Vrij snel gunstige evolutie van een enterocolitis veroorzaakt door koemelk- of sojaproteïnen

(Hwang JB et al. Arch Dis Child. 2009 Jun ; 94(6): 425-8.)
Enterocolitis als gevolg van eiwitten in de voeding is een acuut syndroom dat optreedt bij kleine kinderen enkele uren na inname van bepaalde voedingsmiddelen zoals melk en soja. Een Koreaanse groep heeft 23 patiënten met een dergelijk syndroom gevolgd met herhaalde orale provocatietests om na te gaan op welke leeftijd ze tolerant werden voor die voedingsmiddelen. Op de leeftijd van 6 maanden verdroeg 27,3% van de kinderen melk en 75% soja. Op de leeftijd van 8 maanden was dat respectievelijk 41,7% en 90,9% en op de leeftijd van 10 maanden 63,6% en 91,7%. Het syndroom bleek te verdwijnen na 20 maanden in geval van melkintolerantie en na 14 maanden in geval van soja-intolerantie. In dat klinische kader van voedselallergie zijn vrij vroege provocatietests geïndiceerd om te voorkomen dat het kind gedurende vele jaren onnodig een dieet zou moeten volgen.

Juni 2009
Gestrengheid bij de diagnostiek van voedselallergie bij kinderen

(Du Toit G. Pediatr Allergy Immunol. 2009 May ; 26;20:309-19.)
Britse en Australische auteurs bespreken de diagnostiek van door IgE gemedieerde voedselallergie bij kinderen. De prevalentie van voedselallergie tijdens het eerste levensjaar bedraagt 2,2 tot 5,5%. Het betreft allergie voor koemelk, eieren, tarwe, soja, pindanootjes, schaalvruchten, sesam en kiwi. Koemelk, eieren en tarwe zijn de frequentste verwekkers van voedselallergie bij de jongste kinderen. De auteurs onderstrepen het belang van een goede diagnostiek. De diagnose moet worden gesteld op grond van de voorgeschiedenis, huidtests en/of een dosering van specifieke serum-IgE. Voedselprovocatietests zijn essentieel. Diagnostische cut-offwaarden voor priktests en het specifieke IgE-gehalte hebben de diagnose van voedselallergie verbeterd zodat minder vaak moet worden overgegaan tot een orale provocatietest.

Juni 2009
Evaluatie van de levenskwaliteit in gezinnen met een allergisch kind: een Chinese studie
(Leung TF et al. Clin Exp Allergy 2009 Feb 16. [Epub ahead of print])
De levenskwaliteit in gezinnen met allergische kinderen werd ruimschoots geëvalueerd bij blanken. Allergie steekt nu ook meer en meer de kop op in China. Daarom hebben auteurs uit Hong-Kong de levenskwaliteit onderzocht bij gezinnen van allergische kinderen. Ze hebben daarvoor een vragenlijst gebruikt, de Chinese Food Allergy Quality of Life-Parental Burden. Daarbij is inderdaad gebleken dat de levenskwaliteit verslechtert in die gezinnen, vooral als het kind voedselallergie vertoont. De factoren die het best correleerden met een verslechtering van de levenskwaliteit, waren het bestaan van een allergie voor meer dan drie voedingsmiddelen, de noodzaak tot voortzetting van het dieet, allergische reacties op pindanootjes, eieren en melk en het bestaan van een atopische dermatitis van de plooien.

Juni 2009
Inname van vitamine D tijdens de zwangerschap zou het kind beschermen tegen astma en allergische rinitis
(Erkkola M et al. Clin Exp Allergy. 2009 May ; 11 ; 39:875-82.)
Vitamine D stimuleert niet alleen de calciumabsorptie, maar speelt ook een rol bij tal van processen, waaronder de regeling van het immuunsysteem en preventie van allergie. Bij kinderen van een geboortecohorte werd door middel van vragenlijsten gezocht naar astma, allergische rinitis en atopisch eczeem op de leeftijd van 5 jaar. Er werden ook vragen gesteld over de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap. De vitamine D-inname uit voedsel was gemiddeld 5,1 microg en uit vitamine D-supplementen 1,1 microg. Slechts 32% van de vrouwen nam vitamine D-supplementen in. Inname van vitamine D via de voeding tijdens de zwangerschap verlaagde het risico op astma (0,80) en allergische rinitis (0,85) bij kinderen van vijf jaar. Vitamine D-supplementen daarentegen hadden geen invloed op dat risico. De vitamine D die de moeder via de voeding tijdens de zwangerschap inneemt, blijkt astma en allergische rinitis bij het kind het best tegen te gaan.

Juni 2009
Controverse over de rol van probiotica bij de primaire preventie van atopische dermatitis
(Salfeld P et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 May 7. [Epub ahead of print])
In een recente meta-analyse hebben Lee et al. vastgesteld dat pre- en postnatale inname van probiotica "een doeltreffende optie is voor zwangere vrouwen om atopische dermatitis bij hun kinderen te voorkomen". Andere auteurs betwisten dat ten dele. Ze stellen dat drie van de zes studies van de meta-analyse in feite successieve analyses van dezelfde studiepopulatie zijn en ze betwisten de inclusie in de meta-analyse van een studie waarin vier stammen van probiotica en een prebioticum werden gebruikt zodat het uiteindelijk onmogelijk was na te gaan welk bestanddeel doeltreffend is geweest. Ze vinden voorts ook dat in de meta-analyse onvoldoende rekening werd gehouden met de negatieve studies. Kortom, de controverse weerspiegelt goed de huidige discussie over de aard en de intensiteit van het preventieve effect dat kan worden verwacht bij gebruik van probiotica en prebiotica.

Juni 2009
Een vroege voeding met koemelkproteïnen verhoogt het risico op type 1-diabetes niet
(Savilahti E. et al. Eur J Nutr. 2009 Mar 5. DOI: 10.1007/s00394-009-0008-z.)
Een vroege voeding en meer bepaald flesvoeding op basis van koemelk tijdens de eerste kinderjaren zou een rol kunnen spelen bij het ontstaan van type 1-diabetes. Een Finse groep heeft de gegevens gebruikt van een studie die werd gestart in 1994 bij gezonde zuigelingen om het effect van de voeding op de ontwikkeling van allergie voor melk te evalueren. De kinderen die in de kraamkliniek flesvoeding op basis van koemelk hadden gekregen, vertoonden minder vaak type 1-diabetes op de leeftijd van 8 jaar dan kinderen die toen niet werden blootgesteld aan koemelkproteïnen. Maar op het einde van de follow-up, op de leeftijd van 11,5 jaar, was het verschil verdwenen. Er was geen verschil in de duur van borstvoeding en de introductie van graangewassen of ander vast voedsel tussen de kinderen die type 1-diabetes hadden ontwikkeld, en de kinderen die gezond waren gebleven. Vroege en regelmatige dagelijkse toediening van flesvoeding op basis van koemelk daarentegen ging eerder gepaard met een lager risico op type 1-diabetes. Volgens die studie verhoogt koemelk het risico op type 1-diabetes niet en zou koemelk het optreden van type 1-diabetes voor de leeftijd van 8 jaar zelfs kunnen tegengaan.

Juni 2009
Impact van een geboorte via keizersnede en het type voeding op voedselallergie bij zuigelingen
(Sánchez-Valverde F. et al. Allergy 2009 Jun;64(6):884-9)
De laatste tien jaar is de frequentie van door IgE gemedieerde allergie voor koemelkproteïnen toegenomen. Meerdere genetische en omgevingsfactoren kunnen daarbij een rol spelen. In een cohortestudie uitgevoerd in Pamplone (Spanje) werden patiënten met een door IgE gemedieerde allergie voor koemelkproteïnen vergeleken met patiënten met een niet door IgE gemedieerde allergie. Door IgE gemedieerde allergie voor koemelkproteïnen correleerde met een geboorte via keizersnede (odds ratio 2,14), meer dan twee maanden borstvoeding (OR 4,14) en extra flesvoeding tijdens borstvoeding (OR 2,86). Een geboorte via keizersnede en overmatig gebruik van hydrolysaten bleken ook de allergische "mars" te verergeren.

Juni 2009
Omega 3 en omega 6 bij de primaire preventie van allergie: een systematische review met negatieve uitkomsten
(Anandan C. et al. Allergy 2009 Apr 7;64:840-8.)
Moeten we ja dan neen omega 3- of omega 6-vetzuren voorschrijven om allergische ziekten te voorkomen? Er werd al veel onderzoek daaromtrent verricht. Bij een literatuurstudie werden 3129 artikels teruggevonden, waarvan slechts 10 rapporten (zijnde 6 unieke studies) voldeden aan de inclusiecriteria van de meta-analyse. Het resultaat is ontgoochelend: er werden geen gunstige effecten in het licht gesteld: geen vermindering van de allergische sensibilisering en geen verbetering van de immunoglobulineprofielen. Er werd ook geen daling van het risico op astma, allergische rinitis of voedselallergie vastgesteld. In tegenstelling tot wat werd waargenomen in experimentele en epidemiologische studies, betwist die systematische meta-analyse dus het gunstige effect van omega 3- en omega 6-supplementen bij de primaire preventie van allergische sensibilisering.

Juni 2009
Als jonge kinderen junk food eten, stijgt het risico op gedragsproblemen van het type hyperactiviteit (Wiles. et al. 2009 Eur J Clin Apr;63(4):491-8.)
In deze studie werd het verband onderzocht tussen het eten van junk food (snacks met een geringe voedingswaarde) op de leeftijd van 4,5 jaar en gedragsproblemen op de leeftijd van 7 jaar. Daarvoor werden de gegevens verzameld van ongeveer 4000 deelnemers aan de Avon Longitudinal Study of Parents and Children, een geboortecohorte die in 1991-1992 werd gerekruteerd in Avon, Verenigd Koninkrijk. Volgens die studie verhoogt een iets hogere consumptie van junk food dan gemiddeld (+ 1 standaarddeviatie) op de leeftijd van 4 ½ jaar het risico op hyperactiviteit op de leeftijd van 7 jaar (odds ratio 1,19). Er werd echter geen verband waargenomen tussen het eten van junk food en gedragsproblemen in het algemeen of andere subschalen van een schaal voor evaluatie van gedragsproblemen.

Juni 2009
Beschermt foliumzuur tegen atopie en wheezing ?
(Matsui EC. et al. J Allergy Clin Immunol 2009 June 123(6):1253-9.e2)
Foliumzuur speelt een rol bij tal van aandoeningen zoals ontstekingsziekten. Het verband tussen foliumzuur en allergie is echter niet duidelijk. Bij analyse van de gegevens van de 2005-2006 National Health and Nutrition Examination Survey konden de auteurs aantonen dat er een negatieve correlatie bestaat tussen de serumfoliumzuurspiegel en het totale IgE-gehalte. Het risico op stijging van het totale IgE-gehalte, atopie en wheezing daalt naarmate de foliumzuurspiegel hoger is. Er bestaat zelfs een dosis-responsrelatie tussen de foliumzuurspiegel en de daling van die verschillende variabelen. Het beschermende effect blijft statistisch significant na correctie voor vertekenende factoren zoals de leeftijd, het geslacht, de volksgroep en de sociale toestand.

juni 2009
Borstvoeding tijdens de eerste kinderjaren verbetert de endotheelfunctie van de slagaders later in het leven.

(Järvisalo MJ. et al. Eur J Clin Nutr. 2009;63:640-5.)
Borstvoeding tijdens de eerste kinderjaren zou invloed kunnen hebben op het cardiovasculaire risico op volwassen leeftijd. Dat werd bij volwassen Finnen onderzocht door niet-invasieve echografische meting van de bloedvatfunctie. Mannen die borstvoeding hadden gekregen, vertoonden een sterkere door de bloedstroom gemedieerde vasodilatatie van de armslagaders dan mannen die flesvoeding hadden gekregen. Dat verschil werd niet teruggevonden bij vrouwen. Er werd echter geen significant verband waargenomen tussen borstvoeding en de dikte van het intima-mediacomplex of de compliantie van de arteria carotis. Volwassen mannen die borstvoeding hebben gekregen, hebben dus een betere endotheelfunctie dan mannen die flesvoeding hebben gekregen.

juni 2009
Is een strikt naleven van het dieet van belang bij het verwerven van tolerantie bij kinderen die allergisch zijn voor eieren?

(Allen CW. et al. Pediatr Allerg Immunol 2009;20:213-8.)
Allergie voor eieren is frequent, vooral bij eczema. Doorgaans verdwijnt de allergie na enkele jaren. Het dieet wordt door de ouders soms min of meer goed gevolgd. Heeft dat gevolgen? Australische auteurs hebben een studie uitgevoerd bij kinderen van gemiddeld 6,6 jaar die allergisch waren voor eieren en die gedurende 5,5 jaar werden gevolgd. Ze hebben de ouders vragenlijsten laten invullen om na te gaan welke rol de adviezen van artsen en diëtisten spelen, en of het dieet al dan niet strikt wordt nageleefd. De raadgevingen van artsen en diëtisten betreffende het vermijden van eieren werden slecht gevolgd: 32% van de ouders heeft niet steeds eieren geweerd uit de voeding en 47% rapporteerde een accidentele blootstelling. Eigenaardig genoeg werd er geen verband waargenomen tussen het naleven van het dieet en de ernst van de allergie. Het niet-naleven van het dieet bleek geen invloed te hebben op het verwerven van tolerantie: de kwaliteit van het gevolgde dieet en van de dieetadviezen was dezelfde bij de kinderen bij wie de allergie voor eieren aanhield, als bij de kinderen die er tolerant voor waren geworden.

April 2009
Schakelt fastfood het beschermende effect van borstvoeding op astma bij kinderen uit?
(Mai XM. Et al. Clin Experiment Allergy. 2009 Jan 21;39:556-61.)
In deze studie werd onderzocht of er een verband bestaat tussen fastfood en astma bij kinderen en of het schadelijke effect van fastfood de doeltreffendheid van borstvoeding bij de preventie van astma zou kunnen opheffen. In deze casus-controlestudie aten kinderen met astma meer fastfood dan kinderen zonder astma (OR 1,70). In vergelijking met langdurige borstvoeding (> 12 weken) werd een hogere incidentie van astma waargenomen bij kinderen die borstvoeding kregen gedurende minder dan 12 weken en nooit of slechts af en toe fastfood aten, maar niet bij kinderen die vaak fastfood aten (OR 1,7). Kinderen die veel fastfood aten en gedurende minder dan 12 weken louter borstvoeding hadden gekregen, hadden tweemaal vaker astma dan kinderen die gedurende langere tijd borstvoeding hadden gekregen en pas later tijdens de kinderjaren veel fastfood zijn gaan eten.

April 2009
Naar een betere kennis van allergie voor lupine.
(Peeters KA. Et al. Allergy. 2009;64:549-55.)
Lupine veroorzaakt een kruisallergie bij patiënten die allergisch zijn voor pindanootjes. Lupine is een ingrediënt, die almaar vaker wordt gebruikt, vooral door bakkers. Twee goede redenen dus om er wat meer aandacht aan te besteden. Het gebruik van lupine in het meel de laatste jaren heeft inderdaad geleid tot een sensibilisering voor dat voedingsmiddel, vooral bij mensen die allergisch zijn voor pindanootjes. De frequentie en de mate van kruisallergie met peulgewassen daarentegen zijn niet bekend. Bij onderzoek van patiënten die allergisch waren voor pindanootjes, werd aangetoond dat 82% overgevoelig was voor lupine, 50% voor erwten en 87% voor soja. De minimale dosis lupine nodig om subjectieve symptomen op te wekken was 0,7 mg. Bij toediening van 0,1 mg werd geen enkel klinisch effect waargenomen (NOAEL of No Observed Adverse Effect Level).

April 2009
Enterocolitis veroorzaakt door voedseleiwitten: 16 jaar ervaring.
(Mehr S. et al. Pediatrics. 2009;123:e459-e464.)
Dit is een Australische retrospectieve studie van alle gevallen van enterocolitis op eiwitten die gedurende 16 jaar werden gezien in een ziekenhuis van Sydney. In totaal betreft het 35 kinderen die 66 acute episoden hebben vertoond. De gemiddelde leeftijd waarop de enterocolitis is opgetreden, was 5,5 maanden. De kinderen hadden al veel episoden vertoond voor de diagnose werd gesteld. Negenentwintig kinderen reageerden op een voedingsmiddel en 6 op 2 voedingsmiddelen. De oorzakelijke voedingsmiddelen bij de 35 kinderen waren rijst (n = 14), soja (n = 12), koemelk (n = 2), groenten en fruit (n = 3), vlees (n = 2), haver (n = 2) en vis (n = 1). Het frequentste symptoom was braken, gevolgd door slaapzucht, bleekheid en diarree. De lichaamstemperatuur was vaak lager dan 36 °C. De diagnose werd echter maar uiterst zelden gesteld bij de eerste episode: slechts 2 van de 19 kinderen die zich bij de eerste episode op de spoedgevallendienst hadden aangemeld, zijn vertrokken met de juiste diagnose.

April 2009
Mazelen zouden beschermen tegen allergische aandoeningen, vaccinatie tegen mazelen niet.
(Rosenlund H. et al. Pediatrics. 2009; Vol. 123 No. 3 March 2009, 771-8.)
Mazelen en het mazelenvaccin werken in op het immuunsysteem. Kunnen mazelen of het mazelenvaccin invloed uitoefenen op de prevalentie van allergie of overgevoeligheid? In een Zweedse studie werd een negatieve correlatie waargenomen tussen atopische overgevoeligheid en mazelen en een soortgelijke tendens werd waargenomen met vaccinatie tegen mazelen. Na correctie voor vertekenende factoren werd een negatieve correlatie waargenomen tussen een mazeleninfectie en allergische symptomen of een diagnose van allergie door een arts. Maar er werd geen verband waargenomen tussen vaccinatie en allergische ziekte. Een mazeleninfectie zou dus kinderen kunnen beschermen tegen allergische ziekte. Vaccinatie doet dat niet.

April 2009
Veranderingen van de darmflora bij kinderen die op de leeftijd van 5 jaar allergisch zullen zijn.
(Sjögren YM et al. Clin Exp Allergy 2009 Feb 9. [Epub ahead of print].)
In een Zweedse studie werden stoelgangsmonsters afgenomen op de leeftijd van 1 week, 1 maand en 2 maanden na de geboorte bij 47 kinderen. Die werden dan prospectief gevolgd tot de leeftijd van 5 jaar. De kinderen die een allergie hadden ontwikkeld, waren significant minder gekoloniseerd met lactobacillen van de groep Lactobacillus (rhamnosus, casei, para casei), Bifidobacterium adolescentis en Clostridium difficile tijdens de eerste 2 levensmaanden. Zuigelingen die gekoloniseerd werden door meerdere soorten bifidobacteriën, werden blootgesteld aan hogere hoeveelheden endotoxine en groeiden op in grotere gezinnen dan zuigelingen die weinig species herbergden. De diversiteit van de microflora vroeg in het leven voorkomt dus ontwikkeling van allergie. Dat zou een verklaring kunnen vormen voor de relatie die werd waargenomen tussen allergie, de grootte van het gezin en de blootstelling aan endotoxine.

Maart 2009
Accidentele allergische reacties bij kinderen met allergie voor koemelkproteïnen
(Boyano-Martínez T. et al. J Allergy Clin Immunol. 2009. Feb 19. [Epub ahead of print])
In een studie waarin vragenlijsten werden voorgelegd aan families van kinderen die allergisch waren voor koemelkproteïnen, werd vastgesteld dat 40% van de kinderen het afgelopen jaar reacties had vertoond (53% lichte reacties, 32% matige en 15% ernstige). De meeste reacties (47%) waren thuis opgetreden in de normale levensomstandigheden. De IgE-titer tegen koemelk was hoger bij kinderen met ernstige reacties dan bij kinderen met matige reacties (37,70 versus 7,71 KuA/l, p = 0,04). De frequentie van ernstige reacties was 10-maal hoger bij de astmatische kinderen. Het risico op ernstige reactie was ook hoger in geval van een hoge IgE-titer tegen caseïne. Met die studie wordt dus bevestigd dat het risico in geval

Maart 2009
Evolutie van allergie voor pindanootjes in de Australische hoofdstad van 1995 tot 2007
(Mullins RJ. et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Feb 12. [Epub ahead of print].)
In een Australische studie werd retrospectief de evolutie van allergie voor pindanootjes geëvalueerd over een periode van 13 jaar (van 1995 tot 2007) aan de hand van de dossiers van 778 patiënten van 4 maanden tot 66 jaar oud. Meestal begon de allergie voor de leeftijd van 72 maanden. Hoe later de eerste reactie optrad, des te hoger was het risico op anafylaxie. Bij patiënten ouder dan 72 maanden steeg het risico met 22,7% voor elk extra jaar. Astma was een risicofactor van anafylaxie. De minimale incidentie van allergie voor pindanootjes in die streek van Australië was 1,15% bij de kinderen die waren geboren in 2004, en 0,73% bij de kinderen die waren geboren in 2001.

Maart 2009
Borstvoeding zou het risico op wiegendood verlagen

(Vennemann MM et al. Pediatrics 2009;Mar;123(3):e406-10.)
De laatste 20 jaar zijn campagnes te preventie van wiegendood zeer doeltreffend gebleken, maar het effect verschilt blijkbaar toch van land tot land. In sommige landen wordt preventief ook aangeraden borstvoeding te geven en in andere landen niet. In de German Study of Sudden Infant Death, een casus-controlestudie van 336 zuigelingen die gestorven zijn aan wiegendood, en 998 controlebaby's, werd aangetoond dat 49,6% van de overleden kinderen borstvoeding kreeg op de leeftijd van 2 maanden; bij de controlekinderen was dat 82,9%. Exclusieve borstvoeding op de leeftijd van 1 maand verlaagde het risico met de helft; partiële borstvoeding verlaagde het risico, maar na correctie was het verschil niet significant. Uit de overlevingscurven blijkt dat zowel partiële borstvoeding als exclusieve borstvoeding het risico op wiegendood verlaagt. Kortom, borstvoeding zou het risico op dat gezinsdrama met 50% kunnen verlagen.

Maart 2009
Verband tussen obesitas en tekenen van allergie

(Visness CM et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Feb 20. [Epub ahead of print].)
De laatste decennia is de incidentie van obesitas sterk toegenomen net zoals die van allergie. Is er een verband tussen beide? Bij analyse van de National Health and Nutrition Examination Survey van 2005 - 2006 werd vastgesteld dat het geometrische gemiddelde van het totale IgE-gehalte hoger is bij zwaarlijvige mensen (1,31) en mensen met overgewicht (1,25) dan bij mensen met een normaal gewicht. Zwaarlijvige mensen lopen een hoger risico op atopische ziekten dan mensen met een normaal gewicht en dat is vooral toe te schrijven aan een hogere gevoeligheid voor voedingsmiddelen (odds ratio van 1,26 voor atopie en van 1,59 voor voedselallergie). Het CRP-gehalte, een ontstekingsmerker, correleert met het totale IgE-gehalte, atopie en voedselallergie. Obesitas zou dus kunnen bijdragen tot de epidemie van allergie bij kinderen en vooral dan de epidemie van voedselallergie.

Maart 2009
Mechanisme van voedselallergie

(Eigenmann PA. Pediatr Allergy Immunol. 2009 Feb;20(1):5-11.)
Voedselallergie is het gevolg van een ruptuur van de orale tolerantie, en die ruptuur vindt vooral plaats tijdens de eerste kinderjaren. Bij dergelijke patiënten kan een kleine hoeveelheid van allerhande voedselallergenen een IgE-afhankelijke overgevoeligheid veroorzaken, maar ook een niet-IgE-afhankelijke overgevoeligheid, waarbij eosinofielen en ontstekingsverschijnselen met T-lymfocyten een rol spelen. De symptomen hangen af van het ziektemechanisme. In deze review worden 3 gevallen van voedselallergie beschreven: een kind met een typische door IgE gemedieerde allergie, een kind met een eosinofiele proctocolitis en een derde patiënt, bij wie de mechanismen van verworven tolerantie bespreken.

Maart 2009
Voedselallergie verhoogt het risico op astma

(Schroeder A et al. Clin Exp Allergy. 2009; Feb;39(2):261-70.)
Deze studie werd in Chicago uitgevoerd bij 271 kinderen van 6 jaar of ouder en 296 kinderen jonger dan 6 jaar. Er werd een correlatie vastgesteld tussen symptomatische voedselallergie en astma ongeacht de leeftijd van de kinderen (jonger of ouder dan 6 jaar). De correlatie was sterker bij kinderen die sterk allergisch waren voor meerdere voedingsmiddelen, vooral bij de oudste kinderen. Kinderen met voedselallergie kregen sneller astma en de prevalentie van astma was hoger bij die kinderen dan bij kinderen zonder voedselallergie. Er werd geen correlatie waargenomen tussen asymptomatische overgevoeligheid voor voedsel en astma.

Maart 2009
Eliminatiedieet en atopisch eczeem: een systematisch overzicht

(Bath-Hextall F et al. Allergy. 2009; Feb;64(2):258-64.)
Atopisch eczeem is de frequentste huidziekte tijdens de kinderjaren. Er werden veel onderzoeken uitgevoerd om na te gaan of een eliminatiedieet het atopisch eczeem kan verbeteren. Er werden negen studies geanalyseerd; de meeste waren slecht gerapporteerd. In zes studies werd het effect onderzocht van eliminatie van eieren en melk, van eliminatie van enkele voedingsmiddelen en van een elementair dieet. Eliminatie van eieren en melk bleek geen effect te hebben in een niet-geselecteerde populatie. Maar bij zuigelingen bij wie er een vermoeden bestond van allergie voor eieren en die positief testten op eieren, had een voeding zonder eieren wel een gunstig effect: de uitgebreidheid en de ernst van de letsels verminderden. Het heeft dus geen zin een eliminatiedieet voor te schrijven tenzij als de noodzaak daartoe werkelijk bewezen is.

Februari 2009
Probiotica: de moeder op het einde van de zwangerschap behandelen om de darmflora van het kind te wijzigen

(Lahtinen SJ et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Jan 7. )
De samenstelling van de darmflora tijdens het eerste levensjaar kan minstens ten dele bijdragen tot het optreden van eczeem of atopie later in het leven. In veel studies is aangetoond dat toediening van probiotica vanaf de eerste levensmaanden gunstige effecten zou kunnen hebben. In een studie werd het effect onderzocht van toediening van het probioticum Lactobacillus rhamnosus GG (LGG) zeer vroeg in het leven, d.w.z. aan de moeder op het einde van de zwangerschap. Na behandeling steeg het aantal moeders die gekoloniseerd waren met LGG, van 1,7% bij inclusie in de studie tot 66,7% bij de geboorte. In de placebogroep bleef het percentage kolonisatie met LGG stabiel: van 5 % tot 11,8 % (p < 0,001). Alle monsters van moedermelk en van de vagina bleven negatief. Op de leeftijd van 90 dagen was 12,7% van de kinderen van de behandelde moeders gekoloniseerd met LGG tegen 8,8% in de placebogroep. Er waren evenwel verschillen in de flora bij de kinderen. Zo werd vaker Bifidobacterium longum teruggevonden na behandeling van de moeder (82 % vs. 61 %, p = 5,01). Toediening van LGG aan de moeder op het einde van de zwangerschap leidt dus niet tot kolonisatie van het kind met LGG, maar beïnvloedt wel gedeeltelijk de kolonisatie van het kind met bifidobacteriën.

Februari 2009
Probiotica voorkomen door IgE gemedieerde allergie tot de leeftijd van 5 jaar bij kinderen die via keizersnede worden geboren

(Kukkonen K et al. J Allergy Clin Immunol. 2009 Jan 7.)
In een gerandomiseerde, placebogecontroleerde studie hebben meer dan 1000 moeders met een risico op allergie een mengsel van probiotica gekregen (2 soorten lactobacillen, een bifidobacterie en een propionzuurbacterie) of een placebo tijdens de laatste maand van de zwangerschap. Hun kinderen hebben die probiotica gekregen vanaf de geboorte tot de leeftijd van 6 maanden. Er werd geen significant verschil waargenomen in atopisch eczeem, allergische rinitis of astma tussen de groepen. Maar de incidentie van door IgE gemedieerde allergische aandoeningen was lager bij de kinderen die waren geboren via keizersnede en probiotica hadden gekregen (24,3 % versus 40,5 %). Supplementen van probiotica hadden dus geen preventief effect behalve bij kinderen die waren geboren via keizersnede. In die studie werden de kinderen maar gevolgd tot de leeftijd van 5 jaar. Het zou kunnen dat de resultaten op langere termijn anders zijn.

Februari 2009
Invloed van de voeding op ADHD (Sinn N. Nutr Rev.
Volume 66, Number 10, October 2008 , pp. 558-568(11).)
Er wordt veel onderzoek verricht naar de behandeling van ADHD (aandachtsstoornis met hyperactiviteit), ook op het gebied van de voeding, die op sommige punten niet optimaal zou zijn. In een literatuurstudie werden de mogelijke effecten onderzocht van zink, ijzer, magnesium, polyonverzadigde langeketenvetzuren en voedselallergie. Voor zover we daar nu een uitspraak over kunnen doen, zouden omega 3-vetzuren en voedselallergie een rol kunnen spelen.

Februari 2009
Allergie voor melk: naar een orale immunotherapie?

(Skripak JM et al. J Allergy Clin Immunol. 2008 Oct 23. DOI: 10.1016/j.jaci.2008.09.030.)
Een Amerikaanse groep heeft een orale immunotherapie beschreven bij kinderen met een IgE-afhankelijke allergie voor koemelkproteïnen. Daarbij worden geleidelijk toenemende hoeveelheden melk toegediend de eerste dag, gevolgd door een geleidelijke verhoging thuis en daarna een onderhoudsdosering. In die dubbelblinde hebben 12 kinderen het actieve product gekregen en 7 een placebo. De orale immunotherapie was zeer doeltreffend en resulteerde in een toename van de hoeveelheid melk die de kinderen konden verdragen. Die toename ging gepaard met een stijging van de IgG4-spiegel tegen melk zonder verandering van de IgE-spiegel. De immunotherapie veroorzaakt nogal wat bijwerkingen, maar die zijn volgens de auteurs aanvaardbaar.

Februari 2009
Snel starten met vis verlaagt het risico op eczeem bij zuigelingen
(Alm B et al. Arch Dis Child. 2009 Jan;94(1):11-5. Epub 2008 Sep 25.)
In meerdere studies werd onderzocht welke factoren al dan niet invloed kunnen uitoefenen op het optreden van allergie bij kinderen. In een Zweedse studie van de geboorteregisters van 4921 zuigelingen bedroeg de incidentie van eczeem voor het einde van het eerste levensjaar 20,9%, een cijfer dat strookt met de cijfers die klassiek in de literatuur worden teruggevonden. Het eczeem begon gemiddeld op de leeftijd van 4 maanden. Bij multivariate analyse waren familiale antecedenten van eczeem, vooral bij de broers en de zussen of bij de moeder, een risicofactor van eczeem bij het kind, wat niet nieuw is. Nieuw is wel dat starten met vis voor de leeftijd van 9 maanden en dat het bezit van een vogel thuis het risico op eczeem verlagen.

Januari 2009
Immunologische veranderingen bij kinderen die allergisch zijn voor eieren, maar hard gekookte eieren wel verdragen
(Lemon-Mulé H et al. J Allergy Clin Immunol 2008 Nov;122(5):977-983.e1. Epub 2008 Oct 11.)
Volgens meerdere studies verdragen veel kinderen die allergisch zijn voor eieren, gekookte eieren goed. In een studie bij kinderen met een door IgE gemedieerde allergie voor eieren werd aangetoond dat 64 van de 117 kinderen gekookte eieren verdroegen; 23 kinderen verdroegen normale eieren en 27 reageerden op gekookte eieren. De kinderen die reageerden op gekookte eieren, reageerden sterker bij huidtests en vertoonden een hoger specifiek IgE-gehalte tegen het wit van ei, ovalbumine en ovomucoïd dan de kinderen die gekookte eieren of eieren in het algemeen verdroegen. Bij continue inname van gekookte eieren werd de diameter van de papel bij huidtests kleiner, daalde de titer van IgE tegen ovalbumine en steeg de titer van IgG4 tegen ovalbumine en ovomucoïd. Bij kinderen die allergisch zijn voor eieren, zou continue ingestie van gekookte eieren dus vaak goed worden verdragen en zou dat zelfs de klinische tolerantie voor niet-gekookte eieren verbeteren.

Januari 2009
Rijst, een frequente en ernstige oorzaak van allergische enterocolitis
(Mehr S et al. Arch Dis Child. 2008 Oct 28. [Epub ahead of print])
In een retrospectieve Australische studie werden 14 kinderen beschreven met 26 episoden van allergische enterocolitis op rijst en 17 kinderen met 30 episoden van allergische enterocolitis op melk of soja. De kinderen die allergisch waren voor rijst, waren vaker allergisch voor andere voedingsmiddelen dan de andere kinderen. Rijst staat bekend als een hypoallergeen voedingsmiddel, maar volgens de auteurs toont die studie aan dat rijst een almaar frequentere oorzaak is van allergische enterocolitis.

Januari 2009
Vis eten tijdens de zwangerschap en borstvoeding om de ontwikkeling van het kind te verbeteren
(Am J Clin Nutr 2008;88:789-96. Oken E.)
In een studie van de "Danish National Birth Cohort" werd aangetoond dat de ontwikkelingsscores op de leeftijd van 18 maanden hoger zijn als de moeder meer vis at tijdens de zwangerschap en langer borstvoeding gaf. Soortgelijke observaties werden gedaan op de leeftijd van 6 maanden. De correlatie tussen visconsumptie tijdens de zwangerschap en de ontwikkeling van het kind was onafhankelijk van de duur van de borstvoeding. Kortom, het eten van vis tijdens de zwangerschap en de duur van de borstvoeding hebben een onafhankelijke invloed op de vroege ontwikkeling van het kind.

Januari 2009
Door pollen en fruit veroorzaakte symptomen vroeg in het leven en allergische aandoeningen op de leeftijd van 4 jaar (Allergy 2008;93:1499-504. Mai XM.)
Een studie heeft de voorspellende waarde onderzocht van door pollen en fruit veroorzaakte symptomen wat het latere optreden van een allergische aandoening betreft. 6% van die Zweedse kinderen van 1 tot 2 jaar vertoonde symptomen op pollen, 6% vertoonde symptomen op fruit en 1,4% op beide. Kinderen die op de leeftijd van 1 en 2 jaar symptomen vertoonden die werden veroorzaakt door stuifmeel en fruit, vertoonden een hoger risico op overgevoeligheid voor een pollenallergeen op de leeftijd van 4 jaar (odds ratio 4,4). Die groep kinderen liep ook een hoger risico op ontwikkeling van allergisch astma, rinitis of eczeem op de leeftijd van 4 jaar, ongeacht de pollenovergevoeligheid.

December 2008
Borstvoeding zou de cholesterolconcentratie later in het leven verlagen
(Am J Clin Nutr 2008;88:305-14. Owen CG.)
Bij analyse van de publicaties over het verband tussen borstvoeding en de cholesterolconcentratie op volwassen leeftijd blijkt dat die laatste lager is bij kinderen die borstvoeding hebben gekregen, dan bij kinderen die flesvoeding hebben gekregen. Het verschil was hoger en consistenter in studies waarin werd uitgegaan van "exclusieve" voeding, dan in studies waarin geen rekening werd gehouden met die parameter. Initiële borstvoeding verlaagt waarschijnlijk de cholesterolconcentratie later in het leven. Het lage cholesterolgehalte in flesvoeding zou in werkelijkheid schadelijk kunnen zijn.

December 2008
Probiotica zouden weinig doeltreffend zijn bij de behandeling van eczeem
(Cochrane Database Syst Rev 2008;(4):CD006135. Boyle RJ)
Er werden tal van studies uitgevoerd om de doeltreffendheid van probiotica bij de behandeling van eczeem te evalueren. In een recente review van de Cochrane Database gebaseerd op 12 gerandomiseerde studies met in totaal 781 deelnemers was de ernst van het eczeem (op een schaal van 0 tot 102) 2,46 punten lager na behandeling met probiotica dan in de placebogroep. De resultaten waren heterogeen, wat kan worden verklaard door het gebruik van verschillende stammen van probiotica. Er hebben zich enkele bijwerkingen (infectie, darmischemie) voorgedaan. De conclusie van de auteurs is dat er onvoldoende bewijzen zijn van doeltreffendheid van probiotica bij de behandeling van eczeem en dat er een klein risico is op bijwerkingen.

November 2008
Tolerantie voor bij hoge temperatuur gekookte melk bij kinderen die allergisch zijn voor koemelkproteïnen
(J Allergy Clin Immunol 2008;122:342-7. Nowak-Wegrzyn A.)
Hoge temperaturen vernietigen conformationele epitopen. De groep van HA Sampson (New York) heeft onderzocht of kinderen die allergisch zijn voor koemelkproteïnen, melkproducten kunnen verdragen die gekookt werden bij een hoge temperatuur (in de oven). Er werden provocatietests uitgevoerd bij 100 kinderen van gemiddeld 7,5 jaar. De meesten (75%) konden de bij hoge temperatuur gekookte melk verdragen. Bij de kinderen die ook nog reageerden op bij hoge temperatuur gekookte melk, waren de huidtests significant meer uitgesproken en was de concentratie van specifieke IgE hoger dan bij de andere.

November 2008
Allergie voor peulgewassen in Spanje
(Ann Allergy Asthma Immunol. 2008;101:179-84. Martínez San Ireneo M.)
Linzen, grauwe erwten, bonen en erwten zijn de peulgewassen die het meest worden gegeten in het Middellandse Zeegebied. Volgens een studie bij 54 kinderen die allergisch waren voor peulgewassen, begonnen de stoornissen op de leeftijd van ongeveer 2 jaar: 70% van de kinderen vertoonde een positieve huidtest voor minstens 3 peulgewassen. De resultaten waren vaker positief met gekookte extracten dan met rauwe extracten. Belangrijk is vooral allergie voor linzen, gevolgd door allergie voor grauwe erwten. De frequentste symptomen zijn respiratoire (rinitis en/of astma) en huidsymptomen.

November 2008
Probiotica per os voorkomen ulceronecrotiserende enterocolitis bij zeer premature kinderen
(Pediatrics 2008;122:693-700. Lin HC.)
In deze Taiwanese studie kregen kinderen borstvoeding of flesvoeding die tweemaal per dag gedurende zes weken werden verrijkt met een mengsel van Bifidobacterium bifidum en Lactobacillus acidophilus. Er werd een daling van de incidentie van ulceronecrotiserende enterocolitis (stadium 2 of hoger) en van de mortaliteit waargenomen. In de behandelde groep bedroeg de frequentie van ulceronecrotiserende enterocolitis 4/217 zuigelingen tegen 20/217 in de onbehandelde groep. Er werden geen bijwerkingen zoals septikemie, gasproductie of diarree waargenomen.

November 2008
Snelle orale immunotherapie bij kinderen met een persisterende allergie voor koemelkproteïnen
(J Allergy Clin Immunol 2008;122:418-9. Staden U.)
Volgens deze Duitse studie die werd uitgevoerd bij 9 kinderen ouder dan 3 jaar met een door IgE gemedieerde allergie voor koemelkproteïnen, kunnen de kinderen worden gedesensibliseerd door toediening van progressief stijgende doses melk, gemiddeld een twintigtal. Bij 6 van de 9 kinderen steeg de drempel van melktolerantie tot 120 ml na drie tot zeven dagen. Twee patiëntjes konden een lagere dosis verdragen en bij 1 patiëntje was de proef mislukt

November 2008
Vroeg starten met vis verlaagt het risico op eczeem bij pasgeborenen
(Arch Dis Child 2008 Sep 25. doi:10.1136/adc.2008.140418 [Epub ahead of print]. Alm B.)
In deze prospectieve, longitudinale cohortestudie die werd uitgevoerd in het westen van Zweden, werd vastgesteld dat 20,9% van de baby's op de leeftijd van 1 jaar eczeem heeft of gehad heeft. De mediane leeftijd waarop het eczeem begon, was 4 maanden. Bij multivariate analyse zijn familiale antecedenten van eczeem, vooral bij de broers en zussen, een risicofactor (odds ratio 1,87). In die studie werd ook aangetoond dat toediening van vis voor de leeftijd van 9 maanden (OR 0,76) en aanwezigheid van een vogel thuis (OR 0,35) een gunstig effect hebben. Borstvoeding, de leeftijd waarop werd gestart met eieren, en de aanwezigheid van een kat of een hond thuis hadden geen invloed op het risico.

November 2008
Geen bifidobacteriën na een keizersnede
(J Nutr 2008;138:1796S-1800S. Biasucci G.)
Het maag-darmkanaal van pasgeborenen wordt onmiddellijk na de geboorte gekoloniseerd door micro-organismen uit de omgeving, vooral afkomstig van de moeder. Die micro-organismen spelen een belangrijke rol bij de postnatale ontwikkeling van het immuunsysteem. Volgens deze studie bevat de darmflora van kinderen die worden geboren via een keizersnede, een geringer aantal verschillende soorten bacteriën dan de darmflora van kinderen die langs vaginale weg worden geboren. De darmflora na keizersnede wordt ook gekenmerkt door een afwezigheid van bifidobacteriën. Kinderen die langs lage weg worden geboren, vertonen enkele predominante groepen zoals Bifidobacterium longum en Bifidobacterium catenulatum, ook al verschillen ze voorts qua microbieel profiel.

November 2008
Staphylococcus epidermidis domineert de fecale flora van kinderen die borstvoeding krijgen
(BMC Microbiol 2008;8:143. Jiménez E.)
Volgens een studie die werd uitgevoerd bij 16 moeders en hun kinderen, is Staphylococcus epidermidis de belangrijkste species in de melk en de stoelgang van kinderen die borstvoeding krijgen, en komt die species veel minder vaak voor bij kinderen die flesvoeding krijgen. De op een na belangrijkste species is Enterococcus faecalis. De Staphylococcus epidermidisstammen die worden gekweekt uit de melk en de stoelgang van kinderen die borstvoeding krijgen, bevatten een zeer laag aantal determinanten van virulentie. Die stammen zijn gevoelig voor de meeste geteste antibiotica.
 

November 2008
IgE tegen omega 5-gliadine bij de diagnose van tarweallergie bij kinderen

(J Allergy Clin Immunol 2008;122:419-21. Beyer K.)
Tarweallergie komt vaak voor tijdens de eerste kinderjaren. De diagnose ervan is vrij weinig betrouwbaar en steunt enkel op orale provocatietests, Maar die correleren niet goed met de concentratie van specifieke IgE tegen tarwe. In Duitsland en de Verenigde Staten werd een studie uitgevoerd om het nut van meting van de concentratie van IgE tegen omega 5-gliadine te evalueren. Er werd geen correlatie waargenomen tussen de concentratie van specifieke IgE en de provocatietests. Maar bij de patiënten met een vermoede tarweallergie zonder verhoogde concentratie van specifieke IgE tegen tarwe zou bepaling van specifieke IgE tegen omega 5-gliadine nuttig kunnen zijn om overgevoeligheid voor wateronoplosbare tarweproteïnen op te sporen. Met die studie wordt echter vooral duidelijk dat onderzoek moet worden verricht om de belangrijkste allergenen van tarweallergie te identificeren.

November 2008
Visolie op het einde van de zwangerschap om astma bij het kind te voorkomen
(Am J Clin Nutr 2008;88:167-75. Olsen SF.)
Een hogere inname van polyonverzadigde langeketenvetzuren tijdens de zwangerschap in de vorm van visolie blijkt het risico op astma te verlagen. Het risico op astma zou dalen met ongeveer 63% en het risico op allergisch astma met 87%. Dat resultaat wijst erop dat een hogere inname van n3-vetzuren tijdens de zwangerschap een gunstig effect zou kunnen hebben bij de preventie van astma bij het kind.

Oktober 2008
Behandeling met prebiotica en/of probiotica en incidentie van postnatale infecties
(Pediatrics 2008;122:8-12. Kukkonen K.) April 2008
Tussen november 2000 en maart 2003 hebben vrouwen die zwanger waren van kinderen met een hoog risico op allergie, een mengsel van 4 species van probiotica (groep Symlactobacillus ramnosus GG, LC 705, Bifidobacterium breve Bb99 en Propionibacterium freudenreichii ssp. shermanii) of een placebo gekregen gedurende 4 weken. De kinderen van beide groepen vertoonden een normale groei. Er was geen verschil in neonatale morbiditeit, eetgedrag (zoals kolieken) of ernstige bijwerkingen tussen de studiegroepen. Tijdens de 6 maanden van de interventie werden minder vaak antibiotica voorgeschreven in de symbiotische groep dan in de placebogroep (23 % versus 28 %). Tijdens de follow-upperiode hebben zich minder vaak luchtweginfecties voorgedaan in de symbiotische groep (geometrisch gemiddelde van 3,7 versus 4,2 infecties).

September 2008
Symptomen van voedselallergie en echte overgevoeligheid bij kinderen van 4 jaar

(Acta Paediatr 2008 ; 97 : 85-90. Ostblom E et al.)
Volgens een Zweedse studie rapporteren de ouders overgevoeligheid voor voedsel bij 11% van de kinderen van 4 jaar. Eczema is het frequentste en in de helft van de gevallen ook het enige symptoom. De reactie op voedsel kan ook op de luchtwegen slaan of de vorm aannemen van oedeem van het gelaat of urticaria. De meeste kinderen (75%) rapporteren veel symptomen. Een combinatie van die verschillende symptomen samen met cutane overgevoeligheid voor voedingsstoffen getuigt van een ernstigere vorm van voedselallergie en komt voor bij 1,6% van de kinderen. De symptomen die worden veroorzaakt door pindanootjes, zijn duidelijk te wijten aan overgevoeligheid van de huid voor pindanootjes.

September 2008
Directe en indirecte cellulaire effecten van aspartaam op de hersenen
(Eur J Clin Nutr 2008 ; 62 : 451-62. Humphries P, Pretorius E, Naudé H.)
Aspartaam is een zoetmiddel dat bestaat uit fenylalanine (50%), aspartaamzuur (40%) en methanol (10%) en dat veel door jonge adolescenten wordt gebruikt. Er is al veel onderzoek over aspartaam verricht omdat velen zich zorgen maken over de mogelijke negatieve effecten ervan. In een reviewartikel worden de effecten van de verschillende bestanddelen op de hersenen doorgenomen: fenylalanine regelt de neurotransmissie, aspartaamzuur heeft exciterende effecten en methanol kan zeer toxische derivaten voortbrengen. Er werden meerdere bijwerkingen met aspartaam beschreven zoals neurologische en gedragsstoornissen bij gevoelige personen, hoofdpijn, insomnia en convulsies. De auteurs denken dat die effecten het gevolg zouden kunnen zijn van veranderingen van de regionale concentraties van catecholamines.

September 2008
Soorten voeding tijdens de zwangerschap en de foetale groei
(Eur J Clin Nutr 2008 ; 62 : 463-70. Knudsen VK, Orozova-Bekkevold IM, Mikkelsen TB, Wolff S, Olsen SF.)
Deze auteurs hebben het mogelijke verband onderzocht tussen de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en de foetale groei. Er werden twee essentiële voedingstypes gedefinieerd: een voeding die werd gekenmerkt door consumptie van rood vlees en vetrijke zuivelproducten, en een voeding die werd gekenmerkt door consumptie van groenten, fruit, gevogelte en vis. De vrouwen werden naargelang van hun voeding ingedeeld in "westerse voeding" met een hoge consumptie van voedingsmiddelen van het eerste type, een "gezondheidsbewuste voeding" met een voorkeur voor voedingsmiddelen van het 2e type en een "intermediaire" voeding. Het risico op kleine kinderen met een geboortegewicht lager dan percentiel 2,5 was lager (RR 0,74) bij de vrouwen die een "gezondheidsbewuste" voeding volgden, dan bij de vrouwen met een "westerse" voeding. Consumptie van veel rood vlees en vetrijke zuivelproducten zou dus het risico op intra-uteriene groeiretardatie kunnen verhogen.

September 2008
Analyse van voedselallergie en anafylaxie in een nationaal bewakingssysteem
(J Allergy Clin Immunol. 2008 ; 121 :166-71. Phelan Ross M, Ferguson M, Street D, Klontz K, Schroeder T, Luccioli S.)
Analyse van de symptomen van voedselallergie voorspelt 20 821 consultaties op de spoedgevallendienst, 2333 visites wegens anafylaxie en 520 ziekenhuisopnames wegens voedselallergie in de Verenigde Staten tijdens de studieperiode van twee maanden. De gemiddelde leeftijd was 26 jaar en 24% van de visites had betrekking op kinderen jonger dan 5 jaar. Schaaldieren waren de frequentste oorzaak van voedselallergie boven de leeftijd van 6 jaar. Bij kinderen jonger dan 5 jaar ging het vooral om allergie voor eieren, fruit, pindanootjes en noten.

September 2008
Gerandomiseerde studie van babyvoeding met probiotica en symbiotica
(Am J Clin Nutr 2008, 87 : 1365-73. Chouraqui JP, Grathwohl D, Labaune JM, Hascoet JM, de Montgolfier I, Leclaire M, Giarre M, Steenhout P.)
In een gerandomiseerde, gecontroleerde studie bij voldragen kinderen die enkel flesvoeding kregen met Bifidobactérium longum plus Lactobacillus rhamnosus of diezelfde flesvoeding plus een mengsel van galacto-fructo-oligosacchariden (GOS-FOS) of Bifidobacterium longum plus Lactobacillus paracasei plus GOS-FOS, werd geen significant verschil in gewichtstoename waargenomen tussen de controlegroep en de studiegroep en dat zowel bij analyse volgens het principe van intentie tot behandelen als bij analyse per protocol. Er was ook geen verschil in de andere onderzochte parameters.

Augustus 2008
Sensibilisering en klinische allergie voor lupine bij kinderen met voedselallergie in Noorwegen
(Acta Paediatr 2008 ; 97 : 91-95. Lindvik H, Holden L, Løvik M, Cvancarova M, Halvorsen R. Lupin sensitization and clinical allergy in food allergic children in Norway.)
35 kinderen met voedselallergie die naar een referentieziekenhuis werden verwezen, werden geëvalueerd met een huidtest en specifieke IgE tegen lupine, pindanootjes, erwten en soja. De huidtest was in 43% van de gevallen positief op lupine en 49% van de kinderen had specifieke IgE. Slechts een van de 10 kinderen met een positieve test bij wie een provocatietest werd uitgevoerd, vertoonde een allergische reactie op lupinemeel. Dat was een van de 6 kinderen die specifieke IgE hadden tegen pindanootjes in een concentratie van meer dan 15 KE/l. Er was een sterke correlatie tussen een positieve priktest voor lupine en een positieve priktest voor soja en tussen een positieve priktest voor lupine en specifieke IgE tegen soja, erwten en pindanootjes. Overgevoeligheid voor lupine blijkt dus niet echt te predisponeren tot een echte klinische allergie voor lupine. We moeten dus geen zinloos eliminatiedieet voorschrijven.

Augustus 2008
Heeft de wijze van borstvoeding invloed op de gewichtstoename bij zuigelingen?

(Arch Dis Child 2008 ; 93 : 292-6. Walshaw CA, Owens JM, Scally AJ, Walshaw MJ.)
In een studie uitgevoerd in Liverpool, Verenigd Koninkrijk, wordt aangetoond dat het gedrag van de moeder tijdens borstvoeding invloed kan hebben op de gewichtstoename van haar kind. Een groep moeders kreeg uitleg over klassieke borstvoeding, de andere niet. Bij de moeders die een dergelijke educatie hadden gekregen, was het percentage exclusieve borstvoeding na 12 weken hoger dan in de andere groep en steeg het gewicht van de baby's meer tot de leeftijd van 6-8 weken. De kinderen die minder dan 10 minuten aan de eerste borst lagen, vertoonden een sterkere gewichtstoename na 6-8 weken, dan de baby's die er langer dan 10 minuten aanlagen.

April 2008
Eczema is te wijten aan de aanwezigheid van bifidobacterium pseudocatenulatum in de fecale microbiota
(J Allergy Clin Immunol. 2008 ; 121 : 135-40. Gore C et al.)
Een casus-controlestudie van kinderen van drie tot zes maanden met of zonder eczeem leert dat er geen verschil in microflora is tussen die twee groepen. Familiale antecedenten van allergie verhogen de kansen op detectie van bifidobacteriën (86% versus 56%, p = 0,047). Kinderen die borstvoeding krijgen, lopen meer kans om Bifidobacterium bifidum te dragen. Bifidobacterium pseudocatenulatum werd vaker teruggevonden in de feces van kinderen met eczema die geen borstvoeding kregen. Er werd geen significante relatie waargenomen tussen de klinische metingen en de detectie van Bifidobacterium pseudocatenulatum.

April 2008
Meta-analyse van studies met probiotica in de preventie en de behandeling van atopische dermatitis bij kinderen
(J Allergy Clin Immunol. 2008 ; 121 : 116-121. Lee J, Seto D, Bielory L.)
Een meta-analyse van alle gegevensbanken van PubMed en Cochrane leert dat het gebruik van probiotica een preventief effect van ongeveer 0,69 blijkt te hebben in de preventie van atopische dermatitis. Volgens de auteurs zijn er nu voldoende bewijzen dat probiotica een gunstig effect hebben bij de preventie van atopische dermatitis.

Maart 2008
Borstvoeding beschermt tegen luchtweginfecties
Bron: Universiteit Maastricht
Baby's die borstvoeding krijgen, hebben een kleinere kans op wheezeklachten (een piepende ademhaling die duidt op aanleg voor astma) dan baby's die vanaf de geboorte flesvoeding krijgen. Naarmate er na het tweede jaar langer wordt gewacht met overstappen op koemelkproducten of andere voedingsmiddelen neemt wel de kans op eczeem toe.
Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Bianca Snijders waarop ze vrijdag 22 februari promoveerde aan de Universiteit Maastricht. Het onderzoek maakt deel uit van de omvangrijke KOALA-studie naar de mogelijke oorzaken voor het toenemend aantal allergieën onder de westerse bevolking. KOALA staat voor 'Kind Ouder en gezondheid: Aandacht voor Leefwijzen en Aanleg'. Het onderzoek bestudeert een breed scala van factoren waaronder infecties, voeding, leefstijl en genetische aanleg en richt zich daarbij vooral op leefstijl, borstvoeding en de rol van de microbiële darmflora. 2800 moeder-kindparen worden sinds 2000 gevolgd voor deze studie, waarop eerder al twee onderzoekers promoveerden: John Penders op de rol van de darmflora en Ischa Kummeling op antibiotica en biologische zuivel. De promovenda denkt dat de combinatie borstvoeding, gevolgd door koemelk en andere voedingsmiddelen mogelijk kan leiden tot 'orale tolerantie'. Dit houdt in dat ons afweersysteem onschuldige stoffen zoals voedselallergenen niet als "vreemd" beschouwt. Bij gezonde mensen is het mechanisme van orale tolerantie intact waardoor ze bijvoorbeeld gewoon pinda's kunnen eten zonder een allergische reactie te krijgen. Als het mechanisme van orale tolerantie verstoord is, kan dit mogelijk leiden tot allergie. Snijders wijst echter op de noodzaak van vervolgonderzoek voordat een gewijzigd advies rond borstvoeding en de introductie van koemelk gerechtvaardigd is.

Maart 2008
Vroege voedingsinterventie en ontwikkeling van atopie bij zuigelingen en kinderen
(Pediatrics. 2008 ; 121 : 183-91. Greer FR, Sicherer SH, Burks AW ; American Academy of Pediatrics Committee on Nutrition; American Academy of Pediatrics Section on Allergy and Immunology.)
Het tijdschrift Pediatrics publiceert een analyse van de voedingsopties tijdens de zwangerschap, de periode van borstvoeding en het eerste levensjaar die een impact kunnen hebben op de ontwikkeling van atopische aandoeningen in het begin van het leven. Dat artikel vervangt de vorige "position paper" van de American Academy of Pediatrics over babyvoeding. De Amerikaanse aanbevelingen zijn nu als volgt: de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding blijkt weinig invloed te hebben. Borstvoeding gedurende meer dan 4 maanden kan het optreden van atopische dermatitis, allergie voor koemelk en wheezing tijdens de eerste kinderjaren voorkomen of tegengaan in vergelijking met standaardflesvoeding. Het gebruik van gehydrolyseerde flesvoeding zou een licht preventief effect hebben in vergelijking met standaardvoeding. Bij vergelijking van de verschillende gehydrolyseerde formules blijken ze niet allemaal eenzelfde gunstig effect te hebben. Er zijn weinig aanwijzingen dat een trager starten van een gediversifieerde voeding tussen de leeftijd van 4 en 6 maanden atopie voorkomt.

Maart 2008
CD14-polymorfisme beïnvloedt het effect van consumptie van koemelk op allergische aandoeningen

(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1308-15. Bieli C et al.)
CD14, de receptor voor LPS, vertoont polymorfismen. Naargelang van die polymorfismen kan een hoge dichtheid van LPS al dan niet het optreden van allergie in een bevolking verminderen. Een studie toont aan dat de consumptie van boerderijmelk sterker beschermt tegen allergische aandoeningen bij kinderen die drager zijn van het A-allel in CD14/-1721, dan bij kinderen die homozygoot zijn voor allel G. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat boerderijmelk de expressie van het CD14-gen verhoogt. Die resultaten treden de hypothese bij die stelt dat de negatieve correlatie tussen consumptie van boerderijmelk en allergische aandoeningen gemedieerd wordt door aangeboren immuunmechanismen die worden geactiveerd door CD14.

Maart 2008
Relatie tussen de leeftijd waarop wordt gestart met vast voedsel, en eczeem, astma, allergische rhinitis en overgevoeligheid voor voedsel en aerogene allergenen

(Pediatrics 2008 ; 121 : e44-e52. Zutavern A, Brockow I, Schaaf B, von Berg A, Diez U, Borte M, Kraemer U, Herbarth O, H Behrendt, Wichmann HE, Heinrich J.)
Bij analyse van de Duitse geboortecohorte LISA worden geen aanwijzingen gevonden dat een later starten van vaste voeding op de leeftijd van 6 in plaats van 4 maanden een preventief effect zou hebben op astma, allergische rinitis en overgevoeligheid voor voedsel en aerogene allergenen bij kinderen van 6 jaar. Wat eczema betreft, zijn de gegevens niet eensluidend en kan niet worden uitgesloten dat een laat starten van vast voedsel een beschermend effect heeft. Voorzichtigheid is echter geboden bij de interpretatie van een positieve correlatie tussen een laat starten van vast voedsel en voedselallergie. Het is weinig waarschijnlijk dat een laat starten met vast voedsel beschermt tegen overgevoeligheid voor melk en voedsel.

Maart 2008
Borstvoeding en atopie: tegenstrijdige resultaten van een zeer lange studie

(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1051-7. Matheson MC, Erbas B, Balasuriya A, Jenkins MA, Wharton CL, Tang ML, Abramson MJ, Walters EH, Hopper JL, Dharmage SC.)
De Tasmanian Asthma Study is een studie die de deelnemers heeft gevolgd van de leeftijd van 7 jaar tot de leeftijd van 44 jaar. Op de leeftijd van 7 jaar was het risico op astma iets lager bij de kinderen die enkel borstvoeding hadden gekregen, met een maternele voorgeschiedenis van atopie dan bij de kinderen die niet louter borstvoeding hadden gekregen (odds ratio 0,8). Maar na de leeftijd van 7 jaar keerde het risico om en was het risico op astma bij de kinderen die enkel borstvoeding hadden gekregen, hoger op de leeftijd van 14 jaar (OR 1,46), 32 jaar (OR 1,84), en 44 jaar (OR 1,57). Kinderen die enkel borstvoeding krijgen van een moeder met atopie, lopen dus minder kans om astma te krijgen voor de leeftijd van 7 jaar, maar na de leeftijd van 7 jaar lopen ze een hoger risico.

Maart 2008
Natuurlijk verloop van door IgE gemedieerde allergie voor melk: langer dan gedacht

(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1172-7. Skripak JM, Matsui EC, Mudd K, Wood RA.)
Koemelkallergie is de frequentste vorm van allergie bij zuigelingen en jonge kinderen en komt voor bij 2 tot 3% van de bevolking. Deze studie heeft het natuurlijke verloop van allergie voor koemelkproteïnen onderzocht bij 807 patiënten. Het genezingspercentage was 19% op de leeftijd van 4 jaar, 42% op de leeftijd van 8 jaar en 79% op de leeftijd van 16 jaar. De patiënten met een persisterende allergie hadden op alle leeftijden hogere specifieke IgE-titers tot de leeftijd van 16 jaar. Het samengaan van astma en allergische rinitis heeft een slechte prognostische waarde. De prognose van koemelkallergie in die populatie is dus slechter dan gewoonlijk wordt gedacht.

Maart 2008
Sensibilisering voor voedsel en aerogene allergenen tijdens de eerste 3 levensjaren

(J Allergy Clin Immunol 2007 ; 120 : 1166-71. Dean T, Venter C, Pereira B, Arshad SH, Grundy J, Clayton CB, Higgins B.)
Longitudinale studies van sensibilisering voor allergenen tijdens de kinderjaren zijn zeldzaam. Een onderzoek van kinderen die vanaf de geboorte tot de leeftijd van 3 jaar werden gevolgd met huidpriktests, toont aan dat de prevalentie van overgevoeligheid voor aerogene allergenen 1,3%, 6,4% en 10,7% bedroeg op de leeftijd van respectievelijk 1, 2 en 3 jaar. De prevalentie van voedselallergie was respectievelijk 2,8%, 3,9% en 3,7%. 29% van de kinderen die een positieve priktest hebben op de leeftijd van een jaar, zal op de leeftijd van 2 jaar ook overgevoelig zijn voor andere allergenen. Overgevoeligheid voor melk en eieren is een predictor van overgevoeligheid voor apennootjes op de leeftijd van 3 jaar (odds ratio 34,8).

Februari 2008
Natuurlijke geschiedenis van allergie voor eieren

(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 120 : 1413-7. Savage JH, Matsui EC, Skripak JM, Wood RA.)
Allergie voor eieren is een zeer frequent probleem, dat voorkomt bij 1 tot 2% van de kinderen. Er werd een retrospectieve studie uitgevoerd bij patiënten met een allergie voor eieren die in een referentiecentrum werden gezien. Kaplan-Meiercurven tonen aan dat 4% van de patiënten zal genezen tegen de leeftijd van 4 jaar, 12% tegen de leeftijd van 6 jaar, 37% tegen de leeftijd van 10 jaar en 68% tegen de leeftijd van 16 jaar. Patiënten die allergisch blijven voor eieren, ontwikkelen een tolerantie, maar die wordt trager verkregen dan vroeger werd gedacht. Patiënten met een IgE hoger dan 50 kE/l hebben weinig kans om tolerantie te ontwikkelen.

December 2007
Borstvoeding heeft geen preventief effect op allergie
(BMJ 2007 ; 335 : 815. Kramer MS, Matush L, Vanilovich I, Platt R, Bogdanovich N, Sevkovskaya Z, Dzikovich I, Shishko G, Mazer B.) 
Een grote gerandomiseerde studie die in 31 kraamklinieken in Belarus werd uitgevoerd in samenwerking met de epidemiologen van de McGill University (Canada), betrof meer dan 13 000 moeder-kindkoppels. De studie heeft het verband onderzocht tussen langdurige exclusieve borstvoeding en het risico op allergie bij de kinderen. Langdurige exclusieve borstvoeding blijkt kinderen niet te beschermen tegen astma, hooikoorts of eczema op de leeftijd van 6,5 jaar en blijkt evenmin de prevalentie van positieve priktests voor vijf geïnhaleerde allergenen, met name huisstof, kattenharen, berkenpollen, onkruid, schimmels (Alternaria), te verlagen.

Oktober 2007
De bacteriële stammen Acinetobacter lwoffii en Lactococcus lactis die worden teruggevonden in stallen, beschermen sterk tegen allergie
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1514-1521. Debarry J, Garn H, Hanuszkiewicz A, Dickgreber N, Blümer N, von Mutius E, Bufe A, Gatermann S, Renz H, Holst O, Heine H.) 
Kinderen die opgroeien op een boerderij, vertonen minder atopie, hooikoorts en astma dan kinderen van diezelfde leeftijd die in een beschermde omgeving wonen. Een studie toont aan dat meerdere bacteriële species in de stallen kunnen worden teruggevonden, meer bepaald Acinetobacter lwoffii F78 en Lactococcus lactis G121. Die kiemen werden onderzocht met verschillende immunologische middelen. Daarbij is gebleken dat ze allergische reacties kunnen verminderen bij muizen, zoogdiercellen in vitro kunnen activeren en een programma van Th1-polarisering kunnen inleiden in dendritische cellen. Die gegevens pleiten sterk voor de hygiënehypothese die stelt dat een omgeving die veel microbiologische structuren bevat, kan beschermen tegen de ontwikkeling van allergie.

Oktober 2007
Klinische kenmerken van soja-allergie in Europa
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1489-96. Ballmer-Weber BK, Holzhauser T, Scibilia J, Mittag D, Zisa G, Ortolani C, Oesterballe M, Poulsen LK, Vieths S, Bindslev-Jensen C.) 
Een Europese multicentrische studie heeft de klinische kenmerken van soja-allergie in Europa onderzocht waarbij onder meer een dosis-responscurve werd opgesteld uitgaande van dubbelblinde, placebogecontroleerde provocatietests. De studie toont aan dat een aantal patiënten met soja-allergie subjectief kunnen reageren op een dosis van 0,21 mg sojaproteïnen en dat andere patiënten objectief reageren op een dosis van 137,2 mg. De klinische en immunologische basis van soja-allergie in Europa is zeer complex, wat de diagnose van die vorm van allergie bemoeilijkt. Vandaar ook dat het niet zo eenvoudig is patiënten met soja-allergie advies te geven over de aanpak van het risico.

Oktober 2007
De bacteriële stammen Acinetobacter lwoffii en Lactococcus lactis die worden teruggevonden in stallen, beschermen sterk tegen allergie
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1514-1521. Debarry J, Garn H, Hanuszkiewicz A, Dickgreber N, Blümer N, von Mutius E, Bufe A, Gatermann S, Renz H, Holst O, Heine H.) 
Kinderen die opgroeien op een boerderij, vertonen minder atopie, hooikoorts en astma dan kinderen van diezelfde leeftijd die in een beschermde omgeving wonen. Een studie toont aan dat meerdere bacteriële species in de stallen kunnen worden teruggevonden, meer bepaald Acinetobacter lwoffii F78 en Lactococcus lactis G121. Die kiemen werden onderzocht met verschillende immunologische middelen. Daarbij is gebleken dat ze allergische reacties kunnen verminderen bij muizen, zoogdiercellen in vitro kunnen activeren en een programma van Th1-polarisering kunnen inleiden in dendritische cellen. Die gegevens pleiten sterk voor de hygiënehypothese die stelt dat een omgeving die veel microbiologische structuren bevat, kan beschermen tegen de ontwikkeling van allergie.

Oktober 2007
Blootstelling aan omega 3- en omega 6-vetzuren tijdens de eerste levensjaren heeft geen invloed op atopie op de leeftijd van 5 jaar
(J Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1438-44. Almqvist C, Garden F, Xuan W, Mihrshahi S, Leeder SR, Oddy W, Webb K, Marks GB, for the CAPS team.) 
Een Zweedse cohortestudie, de Childhood asthma prevention study, toont aan dat de plasmaspiegels van omega 3- en omega 6-vetzuren gemeten na 18 maanden en na 3 en 5 jaar geen verband houden met het bestaan van wheezing, eczema of atopie op de leeftijd van 5 jaar. Er werd geen verband vastgesteld tussen de blootstelling aan vetzuren gemeten aan de plasmaspiegels, de voedselinname en de inname van supplementen en de respiratoire of atopische prognose. Volgens de auteurs heeft een voeding met veel polyonverzadigde vetzuren de eerste levensjaren geen preventief effect op atopie en astma.

September 2007
Impact van weinig borstvoeding op astma, coeliakie en obesitas: een nieuwe statistische methode
(Arch Dis Child. 2007 ; 92 : 483-5. Akobeng AK, Heller RF.) 
Onvoldoende borstvoeding zou gelinkt kunnen zijn aan meerdere kinderziekten. Bij een systematisch review van de literatuur werden gegevens teruggevonden waarop de auteurs een nieuwe statistische methode hebben toegepast: population impact number of eliminating a risk factor over a time period of PIN-ER-t. De resultaten zijn dat in een populatie van bijna 600 000 kinderen die in 2002 zijn geboren in Engeland en Wales, 33 100 gevallen van astma, 2655 gevallen van coeliakie en 13 639 gevallen van obesitas zouden kunnen worden voorkomen over een periode van 7 tot 9 jaar door alle pasgeborenen borstvoeding te geven. Die berekening gebaseerd op de incidentie van chronische ziekten impliceert dat het geringe percentage borstvoeding hoge kosten met zich meebrengt voor de volksgezondheid.

September 2007
Het gebruik tijdens de kinderjaren van een probioticum, Lactobacillus rhamnosus, verlaagt het risico van eczeem op de leeftijd van 7 jaar
(J Allergy Clin Immunol. 2007; 119:1019-21. Kalliomäki M, Salminen S, Poussa T, Isolauri E.) 
De groep van Erika Isolauri heeft een dubbelblinde, placebogecontroleerde studie uitgevoerd die het effect heeft onderzocht van toediening van Lactobacillus rhamnosus aan moeders en hun kinderen tijdens de eerste 6 levensmaanden. Een herevaluatie op de leeftijd van 7 jaar leert dat het cumulatieve risico van ontwikkeling van eczema tijdens de eerste 7 levensjaren significant lager was in de Lactobacillus GG-groep (42,6%) dan in de placebogroep (66,1%, RR 0,64).
September 2007

September 2007
Antistoffen van de moeder in de moedermelk beschermen het kind tegen enterovirusinfecties
(Pediatrics. 2007 ; 119 : 941-6. Sadeharju K, Knip M, Virtanen SM, Savilahti E, Tauriainen S, Koskela P, Akerblom HK, Hyoty H, and the Finnish TRIGR Study Group.) 
Enterovirusinfecties zijn frequent bij zuigelingen en kunnen ernstige complicaties veroorzaken. Een Finse studie toont aan dat hun frequentie 43% is bij zuigelingen van minder dan een jaar en 15% bij de moeders tijdens de zwangerschap. Baby's die gedurende meer dan 2 weken uitsluitend borstvoeding hadden gekregen, vertoonden op de leeftijd van een jaar minder enterovirusinfecties dan baby's die minder dan twee weken borstvoeding hadden gekregen (0,38 versus 0,59 infecties per kind). Een hoge titer antistoffen in het serum en de moedermelk gaat gepaard met een daling van de frequentie van infecties. Dat effect wordt enkel gezien als het kind moedermelk heeft gekregen gedurende meer dan twee weken.

September 2007
Het risico van ontwikkeling van voedselallergie bij prematuren of baby's met een laag geboortegewicht
(Allergy Clin Immunol. 2007 ; 119 : 1203-9. Liem JJ, Kozyrskyj AL, Huq SI, Becker AB.) 
De doorlaatbaarheid van de darmen is hoger bij kinderen met een laag geboortegewicht dan bij voldragen kinderen. Dat zou een invloed kunnen hebben op de incidentie van voedselallergie bij die kinderen. Een evaluatie van de Manitoba birth cohort van 1995 toont aan dat 592 (4,23%) van de 13 980 kinderen een voedselallergie hebben en dat bij 316 kinderen (2,26%) adrenaline werd voorgeschreven. De zwangerschapsleeftijd en het geboortegewicht hadden geen significant effect op het risico van voedselallergie. In de praktijk lijken vroeggeboorte en een laag geboortegewicht het risico van voedselallergie tijdens de kinderjaren niet sterk te verhogen.

Het advies in het Verenigd Koninkrijk aan zwangere vrouwen om pindanootjes te mijden heeft weinig impact
(Allergy Clin Immunol 2007 ; 119 : 1197-202. Hourihane JO, Aiken R, Briggs R, Gudgeon LA, Grimshaw KEC, DunnGalvin A, Roberts SR.) 
In juni 1999 heeft de Britse regering atopische vrouwen aangeraden om geen pindanootjes te eten tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding. Onderzoek van een cohorte van moeder-kindparen toont aan dat de prevalentie van overgevoeligheid voor pindanootjes in die cohorte 2,8% bedraagt en dat 1,8% van de Britse kinderen die voor het eerst naar school gaan, allergisch is. Het is niet duidelijk of dat advies enig (positief of negatief) effect heeft gehad op de prevalentie van allergie voor pindanootjes bij kinderen van 4 tot 5 jaar tussen 2003 en 2005.

Juli 2007
Louter borstvoeding vermindert het aantal ziekenhuisopnames wegens diarree of infectie
(Pediatrics. 2007 ; 119 : e837-e842. Quigley MA, Kelly YJ, Sacker A.) 
De gegevens van de United Kingdom Millenium Cohort Study (geboortes in de jaren 2000 tot 2002) tonen aan dat 70% van de zuigelingen borstvoeding heeft gekregen, dat 34% borstvoeding heeft gekregen tot de leeftijd van 4 maanden en dat 1,2% enkel borstvoeding heeft gekregen tot de leeftijd van 6 maanden. Op de leeftijd van 8 maanden was 12% van de zuigelingen in het ziekenhuis opgenomen. Loutere borstvoeding beschermde tegen ziekenhuisopname wegens diarree en ondersteluchtweginfectie in vergelijking met geen borstvoeding. Gedeeltelijke borstvoeding had een zwakker effect. Per extra maand louter borstvoeding zou 53% van de ziekenhuisopnames wegens diarree kunnen worden voorkomen.

Juni 2007
Borstvoeding verbetert de latere sociale beweeglijkheid: Boyd Orr -cohorte
(Arch Dis Child. 2007 ; 92 : 317-21. Martin RM, Goodall SH, Gunnell D, Davey Smith G.) 
In Engeland en Schotland wordt sinds 1937 een historische cohorte gevolgd. Na een follow-up van 60 jaar van de 3182 personen die deelnemen aan de Boyd Orr Survey of Diet and Health in Prewar Britain 1937-39, konden 1414 respondenten worden geanalyseerd. De prevalentie van borstvoeding in het begin van het leven verschilde naargelang het district van 45 tot 86%. Borstvoeding ging gepaard met een hogere kans om op te klimmen op de sociale ladder. Dat effect kon niet worden verklaard door andere predictoren. Maar de auteurs kunnen niet uitsluiten dat residuele of niet-gemeten vertekenende factoren een rol zouden kunnen spelen.

Juni 2007
Onderzoek naar ADHD wint Nationale Kinderkroon 2007
Kinderjury van Stichting Kinderpostzegels Nederland reikt onderscheiding uit aan Stichting Kind en Gedrag
Amsterdam, 29 mei 2007 – De Nationale Kinderkroonjury 2007 heeft het onderzoek naar ADHD van Stichting Kind en Gedrag tot winnaar van de Nationale Kinderkroon 2007 uitgeroepen. Deze onderscheiding wordt jaarlijks uitgereikt aan het beste project dat Kinderpostzegels financieel steunt. Het Koninklijk Instituut voor de Tropen vormde dit jaar het decor voor de feestelijke bekendmaking. De publieksprijs ging naar het boek over kindermishandeling “Wij hebben levenslang” van Daniëlle Vogels in samenwerking met het Advies en Meldpunt Kindermishandeling Gelderland.

Dieet reduceert 60% van ADHD gevallen
Kinderen met ADHD hebben vaak grote gedragsproblemen, zowel thuis als op school. De exacte oorzaak van deze stoornis is onbekend. Stichting Kind en Gedrag maakt onderzoek mogelijk naar de invloed van voeding op ADHD. Kinderen die meedoen aan dit onderzoek volgen vijf weken lang een speciaal dieet. Door het ADHD Research Centrum wordt onderzocht of het ADHD-gedrag hierdoor vermindert. Ruim 60% van de kinderen die tot nu toe dit dieet hebben gevolgd, vertoont grote gedragsverbeteringen: bij deze kinderen is geen sprake meer van ADHD. Door dit onderzoek kan voorkomen worden dat kinderen met ADHD ten onrechte medicijnen moeten gebruiken.

Juryoordeel
Om tot een goed juryoordeel te komen hebben de twee juryteams de zes genomineerde projecten zelf bezocht. “Alle projecten waren erg indrukwekkend. Ze verdienen het eigenlijk allemaal om te winnen. Maar dit project heeft het echt heel erg goed gedaan. Vóór de kinderen het dieet volgden hadden ze problemen thuis en op school, maar nu gaat het een heel stuk beter met ze. Ze hoeven niet eens meer medicijnen te gebruiken! De kinderen merken zelf ook goed dat het helpt, ze vinden het daardoor minder vervelend dat ze sommige dingen niet mogen eten. De kinderen hebben hier ook in de toekomst heel erg veel aan.”

Nationale Kinderkroon
Kinderpostzegels steunt ieder jaar honderden projecten in binnen- en buitenland voor kinderen in moeilijke omstandigheden. Dankzij de Nationale Kinderkroon kunnen kinderen die aan de Kinderpostzegelactie hebben meegedaan, heel direct in aanraking komen met enkele Nederlandse initiatieven. De juryleden, van basisscholen uit Mildam en Barendrecht, zijn geselecteerd dankzij hun enthousiaste en originele sollicitatiebrieven. Naast de vakjuryprijs wordt jaarlijks de publieksprijs uitgereikt. Alle kinderen in Nederland konden de afgelopen weken hun stem uitbrengen op hun favoriete project via de website van Kidsweek en Kidsweek Junior (www.kidsweek.nl/kinderkroon). De genomineerde projecten staan in het teken van het jaarthema ‘Een Veilig Thuis’. Ze leveren elk op hun eigen manier een bijzondere bijdrage aan een veilige leefomgeving voor kinderen. Kijk voor meer informatie over de Nationale Kinderkroon en Stichting Kinderpostzegels Nederland op www.kinderpostzegels.nl.

Oktober 2006
Kruisallergie tussen voedsel en berkenpollen: koken schakelt het allergene vermogen niet volledig uit
(J. Allergy Clin. Immunol. 2006 ; 118 : 242-9, Bohle B. et al.) 
Het belangrijkste allergeen van de berk Bet V1 gaat kruisreacties aan met bepaalde voedselallergenen, die een oraal allergisch syndroom kunnen veroorzaken.  En wat als die voedingsmiddelen worden gekookt? Diverse recombinante antigenen van appels, selderij en wortelen (Mal d 1, Api g 1, Dau c 1) werden geïncubeerd bij stijgende temperaturen. In vitro verliezen die allergenen hun vermogen om IgE te binden, maar ze blijven in staat Bet V1-specifieke T-lymfocyten te activeren. In vivo verliezen ze hun vermogen om een oraal syndroom uit te lokken, maar soms kunnen ze eczemaletsels verergeren. Men mag er dus niet zomaar van uitgaan dat gekookt voedsel zijn allergene reactiviteit verliest.

Oktober 2006
Borstvoeding vermindert het aantal ziekenhuisopnames wegens infectie tijdens het eerste levensjaar.(Pediatrics 2006 ; 118 : 92-99, Talayero JMP et al.) 
Een Spaanse studie bij 1385 zuigelingen toont aan dat 85% van de moeders borstvoeding geeft bij ontslag uit de kraamkliniek. Dat percentage daalt tot 52% na 3 maanden, 41% na 4 maanden en 15% na 6 maanden. De gemiddelde leeftijd bij opname in het ziekenhuis wegens infectie tijdens het eerste levensjaar was gemiddeld 4,1 maanden. De studie leert dat elke maand langer borstvoeding de frequentie van ziekenhuisopanme zou kunnen verlagen met 30%. Met dergelijke berekeningen kan worden becijferd dat 100% borstvoeding bij kinderen van 4 maanden 56% van de ziekenhuisopnames bij kinderen jonger dan 1 jaar zou kunnen voorkomen.

April 2006
Prebiotica en symbiotica: twee veelbelovende producten bij de behandeling van atopische dermatitis bij kinderen ouder dan twee jaar
(Allergy 2006 ; 61 : 431-7, Passeron T., Lacour J.P., Fontas E., Ortonne J.P.)
Er werd een prospectieve gerandomiseerde dubbelblinde studie uitgevoerd bij kinderen ouder dan 2 jaar met een atopische dermatitis met een SCORAD >15 (Scoring Atopic Dermatitis). Ze kregen 3-maal per dag gedurende 3 maanden een symbioticum bestaande uit Lactobacillus rhamnosus plus prebiotica of prebiotica alleen. In de groep die het symbioticum kreeg, bedroeg de gemiddelde SCORAD 39,9 voor behandeling en 20,7 na 3 maanden. In de groep die alleen prebiotica kreeg, bedroeg de SCORAD 39,3 voor behandeling en 24,0 na 3 maanden. Symbiotica blijken dus net zoals prebiotica de tekenen van atopische dermatitis bij kinderen ouder dan 2 jaar significant te verminderen, zonder echt verschil tussen beide.

April 2006
Volledige borstvoeding gedurende meer dan 6 maanden beschermt tegen luchtweginfecties
(Pediatrics 2006 ; 117 : 425-32, Chantry CJ, Howard C.R., Auinger P.)
De American Academy of Pediatrics raadt aan zuigelingen de eerste zes maanden van hun leven enkel borstvoeding te geven. Dat heeft een duidelijk effect op maag-darminfecties, maar het effect op luchtweginfecties is minder duidelijk. Een secundaire analyse van de gegevens van de National Health and Nutrition Examination Survey III leert dat zuigelingen die gedurende 4 tot minder dan 6 maanden lang enkel borstvoeding kregen, een hoger risico van pneumonie liepen dan de zuigelingen die langer dan 6 maanden enkel borstvoeding kregen: 6,5% versus 1,6%. Na correctie voor demografische variabelen en blootstelling aan sigarettenrook werd een significant hoger risico van pneumonie (odds ratio 4,27) en van meer dan 3 episoden van acute middenoorontsteking (OR 1,95) gemeten bij de zuigelingen die minder dan 6 maanden enkel borstvoeding kregen. Die studie bevestigt het belang van louter borstvoeding gedurende meer dan 6 maanden in de preventie van luchtweg- en NKO-infecties.

Maart 2006
TBC helpt tegen allergie
Kinderarts C. Obihara ontdekte na onderzoek in Zuid-Afrika dat kinderen met een tuberculose-infectie juist minder allergische symptomen hadden. Uit zijn onderzoek onder 841 kinderen van zes tot veertien jaar uit twee arme buurten van Kaapstad bleek dat kinderen met een tbc-infectie minder reacties hadden op huidtesten voor allergieën dan kinderen die niet waren geïnfecteerd.  
Volgens de onderzoekers stimuleren de infecties met tbc en parasieten als darmwormen het afweersysteem van de kinderen.
Ook borstvoeding helpt, stelde Obihara. Kinderen die langer dan zes maanden borstvoeding kregen, hadden minder allergieën dan kinderen die korter borstvoeding kregen. Hoe langer de borstvoeding, hoe minder allergieën. Maar dat effect was niet terug te vinden bij kinderen van ouders met een allergie. Obihara constateerde tevens dat roken van de moeder tijdens de zwangerschap wel leidt tot meer astma, maar niet tot meer hooikoorts of eczeem. Met zijn onderzoek bevestigt Obihara de zogenoemde hygiënehypothese. Deze stelt dat allergieën toenemen als kinderen minder infectieziekten doormaken. Dat zou de toename van allergieën in de westerse wereld moeten verklaren.

Februari 2006
Diagnose van melkallergie met een kant-en-klare patchtest (Diallertest®)
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 1321-6, Kalach N.)
Een verkennende studie heeft bij 49 kinderen de betrouwbaarheid onderzocht van een kant-en-klare patchtest bij de diagnose van allergie voor koemelkproteïnen bij kinderen. Daarbij wordt op de rug van het kind een gesloten kamer geplaatst die een mengsel van melkpoeder en melkpeptiden bevat. De patch wordt na 48 uur verwijderd. 24 uur later wordt het resultaat afgelezen. Die diagnostische test heeft een hoge gevoeligheid (76%) en specificiteit (93,8%) en leent zich bijzonder goed voor de diagnose van de niet IgE-afhankelijke aandoeningen die meespelen bij melkallergie tijdens het eerste levensjaar. Daarom wordt die test aanbevolen bij gastro-intestinale, cutane en respiratoire verschijnselen die doen denken aan allergie voor melk. Er werden geen plaatselijke of algemene bijwerkingen waargenomen.

Februari 2006
Allergie voor vis: verschillen in kruisreacties op parvalbumines naargelang de soort
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 1314-20, Van Do T.)
Patiënten die allergisch zijn voor vis, kunnen toch sommige vissoorten verdragen, ook al zijn ze allergisch voor andere. Een studie onderzocht de kruisreacties tussen 9 eetbare vissen: kabeljauw, zalm, schelvis, makreel, tonijn, haring, zeewolf, heilbot en schol. De eiwitten van kabeljauw, zalm, schelvis, haring en zeewolf blijken de sterkste kruisallergenen te bevatten, terwijl heilbot, schol, tonijn en makreel het minst allergeen zijn. Die laatste zullen waarschijnlijk door een groter aantal patiënten met visallergie worden verdragen.

Februari 2006
Borstvoeding verlaagt het risico van coeliakie.
(Arch. Dis. Child 2006 ; 91 : 39-43, Akobeng A.K.)
Meerdere studies hebben het effect van borstvoeding op het risico van coeliakie onderzocht. Met uitzondering van een kleine studie wijzen alle studies erop dat langere borstvoeding gepaard gaat met een lager risico van ontwikkeling van coeliakie. De meta-analyse toont aan dat het risico van coeliakie significant lager is bij kinderen die borstvoeding kregen op het ogenblik dat een voeding werd gestart die gluten bevatte (odds ratio 0,48), dan bij de kinderen die toen geen borstvoeding kregen.

Februari 2006
Duur van borstvoeding en incidentie van type 2-diabetes bij de moeder.
(JAMA 2005 ; 294 : 2601-10, Stuebe A.M.)
Wat is het verband tussen borstvoeding en de latere incidentie van type 2-diabetes bij moeders die borstvoeding geven? Een prospectieve observatiestudie van type 2-diabetes in de Nurses' Health study (NHS) toonde 5145 gevallen/1 239 709 persoonjaren tussen 1986 en 2002. Tijdens de NHS II tussen 1989 en 2001 bedroeg dat cijfer 1132 gevallen/778 876 persoonjaren. Bij de vrouwen die een kind ter wereld hebben gebracht, verlaagt langere borstvoeding het risico van type 2-diabetes. Elke extra jaar borstvoeding verlaagde het risico van diabetes met 15% in de NHS-studie en met 14% in de NHS II-studie. Langere borstvoeding blijkt dus de incidentie van type 2-diabetes bij vrouwen te verlagen.

Januari 2006
Een allergeenarme voeding van de moeder heeft een gunstig effect op kolieken bij zuigelingen die borstvoeding krijgen.
(Pediatrics 2005 ; 116 : 709-715, Hill D.J.)
David Hill heeft in Australië een gerandomiseerde gecontroleerde studie uitgevoerd bij kinderen die borstvoeding kregen en kolieken vertoonden. In de actieve arm van de studie mochten de moeders geen koemelkeiwitten, eieren, pindanootjes, noten, graan, soja en vis eten; in de andere groep bleven de moeders die voedingsmiddelen eten. Bij evaluatie na 8 en 9 dagen was de incidentie van kolieken significant lager bij de zuigelingen van moeders uit de actieve arm: 74% versus 37% (daling van het absolute risico met 37%). Ook de tijd dat de kinderen weenden tijdens een periode van 48 uur, was duidelijk lager in die groep. Dat bevestigt dat kolieken bij zuigelingen minstens ten dele toe te schrijven zijn aan voedselallergie.

Januari 2006
Klinische evolutie en prognose van koemelk-eiwit allergie: het IgE-statuut is van cruciaal belang
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 869-75, Saarinen K.M.)
In een prospectieve populatiestudie bij 118 Finse kinderen met koemelk-eiwit allergie vertoonde 73% van de kinderen een door IgE gemedieerde allergie. Bij 15% van die kinderen hielden de symptomen aan na de leeftijd van 8,6 jaar, terwijl alle kinderen met een niet door IgE gemedieerde allergie melk verdroegen op de leeftijd van 5 jaar. Risicofactoren van persisteren van melkallergie op de leeftijd van 2 jaar waren sensibilisatie op de leeftijd van 1,6 jaar (odds ratio 6,3), urticaria bij een diagnostische provocatietest (OR 3,3), blootstelling aan koemelkeiwitten in de kraamkliniek (OR 3,2) en vroege sensibilisatie voor eieren (OR 2,8). Op de leeftijd van 8,6 jaar vertoonden de kinderen met een IgE-afhankelijke koemelkallergie vaker astma (31% vs. 13%, p<0,01) rinoconjunctivitis (66% vs. 21%, p<0,01), atopisch eczeem (81% vs. 26%, p< 0,001) en overgevoeligheid voor een ander allergeen (88% vs. 39%, p<0,001) dan de controlekinderen. Volgens de auteurs blijft een door IgE gemedieerde allergie bestaan op schoolgaande leeftijd en vormt ze een risicofactor van andere tekenen van atopie, terwijl niet door IgE gemedieerde allergie een goedaardige ziekte zou zijn bij zuigelingen.

Januari 2006
Anafylactische reacties bij kinderen : een Duitse enquête
(Allergy 2005 ; 60 : 1440-5, Mehl A.)
Door middel van vragenlijsten werd een onderzoek uitgevoerd naar de uitlokkende factoren, de klinische reacties, de plaats van optreden en de wijze van behandeling van ernstige anafylactische reacties bij Duitse kinderen jonger dan 12 jaar. In totaal betrof het 1403 gevallen van anafylaxie. De mediane leeftijd van de kinderen was 5 jaar; 58% waren jongens. Meestal (58%) heeft de reactie zich thuis voorgedaan. De frequentste oorzakelijke allergenen waren voedsel (57%), gevolgd door insectensteken (13%) en desensibilisatie (12%). In 8% van de gevallen kon de oorzaak niet worden achterhaald. Pindanootjes en nootjes waren de frequentste alimentaire oorzaken (telkens 20%). Er heeft zich geen enkele fatale reactie voorgedaan.

November 2005
De juiste plaats van gehydrolyseerde babyvoeding in de preventie van voedselallergie
(Arch. Pediatr. Adolesc. Med. 2005 ; 159 : 810-6, Hays T.)
In de Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine werd een kritisch naslagwerk gepubliceerd van de literatuur over preventie van allergie door gehydrolyseerde babyvoeding. De review betrof 9 studies die waren uitgevoerd met een sterk gehydrolyseerde voeding, 12 met een partieel gehydrolyseerde voeding bij een hoogrisicopopulatie en 1 met een partieel gehydrolyseerde voeding bij niet-geselecteerde baby's. Gewoonlijk werden die voedingen vergeleken met borstvoeding, een voeding op basis van koemelk of sojamelk of een combinatie daarvan. De cumulatieve incidentie van atopische ziekten op de leeftijd van 12 tot 60 maanden was steeds lager bij hoogrisicokinderen die een volledig of gedeeltelijk gehydrolyseerde voeding kregen, dan bij de kinderen die een voeding op basis van koemelk kregen. Er is geen enkele studie die aantoont dat het risico van allergie stijgt bij gebruik van gehydrolyseerde voeding. De auteurs raden een dergelijke voeding aan bij familiaire antecedenten van allergie.

November 2005
Associatie tussen chronische urticaria en coeliakie
(Pediatr. Allergy Immunol. 2005 ; 16 : 428-32, Caminiti L.)
Coeliakie en chronische urticaria zijn waarschijnlijk toe te schrijven aan immunologische mechanismen, maar de associatie van beide wordt niet veel beschreven. In een casus-controlestudie werd coeliakie gediagnosticeerd bij 5% van de kinderen met chronische urticaria en bij  0,67% van de controlepersonen. Bij de 4 kinderen met urticaria en coeliakie resulteerde een glutenvrij dieet in een volledige genezing van de urticaria na 5 tot 10 weken, terwijl de serummerkers van coeliakie langer nodig hadden om te verdwijnen (5 tot 9 maanden).

November 2005
Het vet- en caloriegehalte van moedermelk stijgt bij langdurige borstvoeding
(Pediatrics 2005 ; 116 : 432-435, Mandel D.)
Hoeveel vet en calorieën bevat moedermelk bij langdurige borstvoeding? Deze studie heeft 34 gezonde moeders die borstvoeding gaven gedurende meer dan een jaar (maximum 39 maanden), vergeleken met moeders die borstvoeding gaven gedurende 2 tot 6 maanden. De gemiddelde vetconcentratie (“crematokriet”) bedroeg 7,36% in de groep die borstvoeding gaf gedurende enkele maanden, en 10,65% in de groep die heel lang borstvoeding gaf. Er was ook een verschil in de gemiddelde hoeveelheid calorieën: respectievelijk 3103 kJ/l en 3183 kJ/l. Als de borstvoeding langer duurt dan een jaar, neemt het vet- en caloriegehalte van de moedermelk dus duidelijk toe.

November 2005
Borstvoeding verlaagt de kans op eczema tijdens de kinderjaren
(J. Allergy Clin. Immunol. 2005 ; 116 : 657-61, Kull I.)
Vele studies hebben het verband onderzocht tussen borstvoeding en het optreden van allergische verschijnselen. Bij onderzoek van 4089 kinderen is aangetoond dat louter borstvoeding gedurende meer dan 4 maanden het risico van eczema op de leeftijd van 4 jaar verlaagt (OR 0,78), ongeacht de combinatie met astma, overgevoeligheid voor frequente allergenen of allergie bij de ouders. Het risico daalde nog meer bij kinderen bij wie het eczema begonnen was tijdens de eerste 2 levensjaren en nog aanwezig was op de leeftijd van 4 jaar. Borstvoeding had ook een gunstig effect bij kinderen met vroegtijdig eczema (ongeacht of het eczema al dan niet aanhield) gevolgd door astma of vroegtijdig astma (ongeacht of het astma al dan niet aanhield) gevolgd door eczema op de leeftijd van 4 jaar (OR 0,48). Borstvoeding gedurende minstens 4 maanden blijkt dus het risico van eczema en ook van allergische evolutie tot de leeftijd van 4 jaar te verminderen!

November 2005
Voedselallergie: geïnduceerde orale tolerantie zou eerder van tijdelijke aard zijn
(Allergy 2005 ; 60 : 1320-2, Rolinck-Werninghaus C.)
De standaardbehandeling van voedselallergie, zijnde eliminatie van het betrokken voedingsmiddel, kent een veelbelovende evolutie: inductie van specifieke orale tolerantie door dagelijkse inname van een kleine hoeveelheid van het oorzakelijke voedingsmiddel. Een studie bij 3 patiënten toont aan dat nadat een zekere tolerantie werd verkregen voor beperkte hoeveelheden melk of ei, er opnieuw symptomen verschenen als ze na een eliminatiedieet van 2 maanden onderworpen werden aan een provocatietest. Die orale tolerantie leidt dus volgens de auteurs niet tot een definitief verdwijnen van de voedselallergie, maar eerder tot een tijdelijke tolerantie.

November 2005
Gunstige effecten van een probioticum op atopische dermatitis
(Arch. Dis. Child. 2005 ; 90 : 892-7, Weston S.)
Een studie heeft het effect onderzocht van een probioticum, Lactobacillus fermentum, op atopische dermatitis bij kinderen van 6 tot 18 maanden met een matig ernstige tot ernstige atopische dermatitis. De index van ernst (SCORAD) verminderde significant in de groep die het probioticum kreeg, maar niet in de controlegroep. Supplementen van het probioticum Lactobacillus fermentum, VRI-003 PCC, hebben dus een gunstig effect bij atopische dermatitis.

Februari 2005
Erasmus MC onderzoekt effecten probiotica bij koemelkallergie
Kunnen probiotica koemelkallergie verminderen? Onderzoekers van Erasmus MC - Sophia zoeken naar een antwoord op deze vraag, door bij zuigelingen niet-ziekmakende bacteriën toe te voegen aan de voeding. De voorlopige resultaten wijzen uit, dat de allergie door middel van probiotica na een half jaar verdwenen kan zijn.
Koemelkallergie komt veel voor en kan allerlei klachten geven. Niet alleen direct, maar ook later. Koemelkallergie kan zich op verschillende manieren presenteren. Buikklachten, huidklachten en luchtwegklachten, maar ook een slechte groei kunnen uitingen van koemelkallergie zijn. Kinderen met een koemelkallergie kunnen in veel gevallen na enkele jaren koemelk weer verdragen. Meerdere studies hebben echter aangetoond dat kinderen met een koemelkallergie vaker astma en andere vormen van allergie ontwikkelen, soms zelfs jaren nadat de koemelkallergie is verdwenen.
Allergische aandoeningen zijn de laatste 25 jaar sterk toegenomen in de Westerse wereld. Dit wordt in verband gebracht met de toegenomen hygiëne, waardoor er minder contact is met micro-organismen (bacteriën en virussen). Het afweersysteem van jonge kinderen heeft dit contact waarschijnlijk nodig om te leren wat goed is en wat ziekmakers zijn. Bij gebrek aan stimulatie door deze micro-organismen leert het afweersysteem minder goed en kan daardoor allergisch reageren op bijvoorbeeld koemelk.
Niet-ziekmakende bacteriën zijn van belang bij het leerproces van het afweersysteem en hebben mogelijk invloed op de ontwikkeling van allergische aandoeningen. Deze "goede" bacteriën zijn toe te voegen aan de voeding van zuigelingen om daarmee het afweersysteem te stimuleren. Deze bacteriën komen normaal ook voor in de darm; ze worden probiotica genoemd.
Kinderen uit de hele regio Zuid-West Nederland tot de leeftijd van 6 maanden met een mogelijke koemelkallergie kunnen voor dit onderzoek aangemeld worden. Alle consulatiebureaus en kinderafdelingen van ziekenhuizen zijn van dit onderzoek op de hoogte. Ouders die denken dat hun kind een koemelkallergie heeft en/of meer willen weten over dit onderzoek kunnen daarvoor de consultatiebureauarts of wijkverpleegkundige benaderen. De onderzoekers zijn bereikbaar op 010 4636946 of via kameel@erasmusmc.nl).

Knippen van amandelen niet effectief (Volkskrant 10 september 2004)
Het weghalen van de amandelen is bij de meeste kinderen die worden geopereerd weinig effectief. Zij hebben na de ingreep niet minder gezondheidsklachten dan kinderen die niet worden geopereerd. Alleen kinderen met ernstige keelklachten hebben wel baat bij een operatie. Dit blijkt uit een onderzoek van het UMC Utrecht onder driehonderd kinderen. De verwijdering van de keel en neus-amandelen is een van de meest voorkomende operaties bij kinderen. Bij kinderen die ademhalingsproblemen in de slaap hebben is een operatie wel zinvol. Bij de meeste kinderen met milde klachten lijkt afwachten de beste optie.

Overgewicht door bijvoeden (Algemeen Dagbad 5 maart 2004)
Het gebruik van flesvoeding naast moedermelk bij baby's leidt tot vetopslag die op latere leeftijd kan leiden tot vetzucht Dat blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Volgens de wetenschappers hangen de voedingsgewoonten van de baby nauw samen met het ontstaan van chronische voedingsziekten op latere leeftijd zoals overgewicht of diabetes. Factoren zoals aanleg, calorierijke voeding en gebrek aan lichaamsbeweging vormen niet de volledige verklaring voor aandoeningen zoals obesitas (vetzucht).

Dieet voor drukke kinderen (Algemeen Dagblad, 5 maart 2004)
Wie er achter wil komen of bij zijn kind een relatie tussen ADHD en voeding bestaat, moet een lange weg bewandelen, maar staat een grote beloning te wachten. Dat is de kern van het betoog van onderzoeker Lidy Pelsser van het onderzoekscentrum voor hyperactiviteit en ADHD in Eindhoven.
Het kind moet eerst vier weken een streng dieet volhouden. Als het daar goed op reageert en geen gedragsproblemen meer vertoont komt daar elke week weer een voedingsmiddel bij. Verandert het gedrag in negatieve zin, dan is het kind daar overgevoelig voor. In 60% van de gevallen kan er een relatie zijn tussen dieet en gedrag.
Kinderen waarbij een relatie is aangetoond is een enorme gedragsverandering merkbaar. Ze voldoen niet meer aan de criteria voor ADHD.
Het dieet is vier weken streng, maar als het werkt wordt het direct uitgebreid. Na een jaar blijven er maar vier of vijf dingen over die ze niet mogen hebben. Medicijngebruik is jarenlang nodig en leidt niet tot continu rustig gedrag. Bovendien halen medicijnen niet de oorzaak weg.
 www.adhdenvoeding.nl  of Lidy Pelsser 040-2488393
 

Allergenen op etiket (Algemeen Dagblad, 7 april 2004)
In de toekomst moeten gangbare allergenen zoals gluten, melk, soja, ei, pinda, noten, vis, schaal en schelpdieren, mosterd, sesam, sulfiet en afgeleide stoffen worden vermeld op het etiket van levensmiddelen. Dit vindt het wetenschappelijke panel voor dieetproducten, voedsel en allergieën van de Europese Voedsel en waren Autoriteit (EFSA), dat de Europese commissie hierover adviseert. Het panel oordeelt dat er voldoende bewijs is om verplichte vermelding van deze ingrediënten te rechtvaardigen. Met het oog op veranderende eetgewoontes, nieuwe productietechnieken en nieuwe ontdekkingen zal de lijst continu moeten worden bijgewerkt.

Muizen met allergie na griep ondergraven hygiënehypothese (NRC, maart 2004)
Muizen die griep hebben gehad blijken gevoelig te zijn voor allergenen in de luchtwegen. Volgens de breed aangehangen hygiënehypothese zouden zij juist beschermd moeten zijn tegen stoffen die allergische reacties oproepen. Dit onverwachte resultaat is het gevolg van een nieuw type immuunreactie dat onderzoekers van Stanford University in Californië hebben ontdekt. Hun ontdekking zal het debat over de hygiënehypothese opnieuw weer doen oplaaien (Nature Immunologie, maart; online 15 feb)
De hygiënehypothese wil verklaren waardoor in westerse landen het aantal allergische kinderen de laatste decennia zo toeneemt. Dit zou komen door de toegenomen hygiëne, meer gebruik van antibiotica en de hoge vaccinatiegraad. Kinderen maken daardoor minder infecties door, wat de kans op allergie vergroot. Deze veronderstelling steunt op de waarneming dat kinderen die vaak met bacteriën en virussen in aanraking komen (de jongste kinderen van grote gezinnen, kinderen die naar de crèche gaan of op een boerderij opgroeien) minder vaak allergisch zijn.

Edelweiss zonverzorging van Weleda (maart 2004)
Weleda is op de markt gekomen met een nieuwe serie zonnebrandmiddelen. Ideaal voor baby's, kinderen en volwassen. Het voordeel van deze zonnecrème is dat het geen chemische filters bevat waar sommige mensen allergisch voor kunnen zijn. Door gebruik van deze zonnecrème voorkom je een allergie voor chemische UVA en UVB filters. Ook voor een gevoelige huid is deze zonverzorging prettig. Het bevat geen synthetische conserveringsmiddelen. De natuurlijke pigmenten zinkoxide en titaandioxide reflecteren UVA- en UVB straling. Verkrijgbaar in een zonnecrème factor 20 en een Zonnelotion factor 15.
Voorlopige bevindingen Prevask-onderzoek (oorzaak astma bij kinderen) (19-02-04 H. schonberger, huisarts-onderzoeker)
Kinderen die waren blootgesteld aan bovengemiddelde hoeveelheden huisstofmijt hadden vaker "asmatische" klachten (piepen, nachtelijk hoesten, kortademigheid) in de eerste twee levensjaren. Datzelfde gold ook voor kinderen die geen moedermelk hadden gekregen of een moeder die rookte tijdens de zwangerschap.
Door vermindering van allergische prikkels hadden de kinderen aan het einde van hun 2e levensjaar minder last van astmatische klachten dan de groep waarbij de allergische prikkels niet waren verminderd.
Er zijn aanwijzingen gevonden voor een sekse-specifiek effect van de vermindering aan allergeenblootstelling, aangezien het alleen de meisjes waren die minder klachten hadden en niet de jongens.
Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen dat astma inderdaad voorkomen kan worden en in hoeverre het gevonden verschil tussen jongens en meisjes blijvend is. Daarvoor moeten de kinderen gevolgd worden tot ze zes jaar zijn en de longfunctie gemeten kan worden.

Sport beter dan melk (19-12-2003 Algemeen Dagblad)
Beweging en gewichtsdragende belasting van de spieren hebben bij mensen van 27 tot 26 jaar meer effect op de sterkte van hun botten dan het drinken van melk. Dat blijkt uit het onderzoek waar epidemiologe I. Bakker op promoveert. Er werd gekeken welke factoren van invloed zijn op de botsterkte van de wervels en van de onderrug.

Sterke toename pinda-allergie (12-12-03 Algemeen Dagblad)
Het aantal kinderen dat allergisch is voor pinda's neemt onverwacht snel toe. Dat blijkt uit Canadees onderzoek. Zo is het aantal kinderen met pinda-allergie in de Verenigde Staten de afgelopen vijf jaar verdubbeld. De wetenschappers maken zich zorgen omdat steeds meer voedingsproducten pinda's bevatten. Mensen die lijden aan de ernstigste vorm van de allergie kunnen eraan overlijden.
Geen penicilline bij keelontsteking (9-12-03 Algemeen Dagblad)
Behandeling van kinderen met penicilline heeft geen effect op de duur van keelpijn, het gebruik van pijnstillers en de kans op een nieuwe keelontsteking. Huisarts S. Zwart en onderzoekers van het UMC Utrecht onderzochten 156 kinderen van vier tot 15 jaar. Bij 96 kinderen werd de potentieel ziekmakende bacterie groep A beta-heomolytische streptokok gekweekt. Ongeacht de aanwezigheid van de streptokok bleek een kuur penicilline niet beter te scoren dan een neppil.

Antibiotica tijdens zwangerschap verhoogd kans op allergie baby
(Susanne Janssen Voedingsecho, nieuwsbrief 12, 2003)
Kinderen van moeders die antibiotica slikken tijdens de zwangerschap zijn vaak meer allergisch. Een kind loopt een grotere kans allergieën te ontwikkelen als zijn of haar moeder tijdens de zwangerschap antibiotica heeft gebruikt. Dit geldt ook als de moeder tijdens de zwangerschap een infectie heeft gehad. Kinderen van deze moeders hebben vaker astma, eczeem en hooikoorts. Van moeders die tijdens de zwangerschap meer dan 2 kuren antibiotica hadden geslikt, hadden de kinderen 68% meer kans astma te ontwikkelen. Voor het ontwikkelen van eczeem is dat 17% en voor het ontwikkelen van hooikoorts 56%. De kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap een infectie hadden, hadden een licht verhoogde kans op de genoemde allergische aandoeningen. Onder kinderen die oudere broertjes of zusjes hebben, komen minder allergieën voor. Helaas moeten bepaalde aandoeningen met antibiotica genezen worden. Als die namelijk niet behandeld worden zijn er veel grotere risico's voor de ongeboren baby.

Beter aan de Borst (3-10-03 Algemeen Dagblad)
De meeste Nederlandse baby's krijgen veel korter de borst dan de twee jaar die de Wereldgezondheidsorganisatie adviseert. Dat komt door de slechte begeleiding vanuit de hulpverlening en doordat de combinatie van borst en baan voor vrouwen moeilijk blijkt. Het voedingscentrum heeft nog een schuldige gevonden: papa.
In Nederland drinkt 35% van de drie maanden oude baby's uitsluitend moedermelk. Een op de tien baby's krijgt op deze leeftijd de borst in combinatie met kunstvoeding. 
Dit is spijtig omdat keer op keer uit onderzoeken naar voren komt dat kunstvoeding in de verste verte niet kan tippen aan moedermelk. 
Borstgevoede baby's belanden veel minder vaak in het ziekenhuis en krijgen minder vaak oorontstekingen, maag-darmstoornissen, bronchitis, longontsteking, eczeem, astma en suikerziekte.
Ook de moeders profiteren. Een vrouw die tijdens haar leven twee jaar lang de borst geeft, reduceert haar kans op borstkanker met een kwart. Hoe langer ze voedt, des te geringer de kans dat ze op latere leeftijd last krijgt van botontkalking.
Gaan en blijven! Nederlandse baby's massaal aan de borst, dan zou dat een enorme besparing opleveren voor de gezondheidszorg.

Kinderallergiecentrum (juli 2003)
Op 25 juni 2003 is het eerste centrum voor kinderallergologie geopend in Nederland. Dit centrum is opgericht om kinderen sneller te kunnen behandelen. Het team bestaat uit een kinderarts, dermatoloog, diëtist, kinderlongarts, kinderkno-arts en kinderoogarts. Er kan hierdoor sneller een diagnose worden gesteld. De testen bestaan o.a. uit de huidtest, bloedtest en voedselprovocatietest. 
Het kinderallergiecentrum is een onderdeel van het UMC ( Universitair Medisch Centrum) te Utrecht en gevestigd in het WKZ ( Whilhelmina Kinder Ziekenhuis) te Utrecht. Voor meer informatie of voor een brochure 030-2504775 of 030-2504776

Risico op ADHD door roken (Algemeen Dagblad)
Vrouwen die tijdens de zwangerschap roken, hebben een grotere kans een kind te krijgen dat later symptomen van ADHD vertoont. Dat melden Britse onderzoekers in het American Journal of Psychiatry. Hoewel uit het onderzoek blijkt dat ADHD vooral veroorzaakt wordt door erfelijke factoren, zien de wetenschappers ook een duidelijk verband met het rookgedrag van de moeder.

Voeding en ADHD (Overgevoeligheden 2003, nummer 1)
In december 2002 werd in het Nederlands tijdschrift voor Geneeskunde het onderzoek gepubliceerd van mevr. drs. L.M.J. Pelsser getiteld: 'Gunstige invloed van een standaardeliminatiedieet op het gedrag van jonge kinderen met ADHD: een verkennend onderzoek'.
Uit het onderzoek bleek dat 62% van de kinderen reageerden, volgens de metingen van de ouders, enorm met gedragsveranderingen op het dieet. Dit werd bevestigd door de betreffende leerkracht. De combinatie van ADHD met opstandig of agressief gedrag (ODD) komt geregeld voor. Het dieet had in dit onderzoek een gunstig effect op zowel ADHD- als ODD-symptomen. Hoewel de kinderen niet werden geselecteerd op lichamelijke klachten kwamen deze vaak voor. En ook die verdwenen na het volgen van het dieet.
Aangezien kinderen met veel lichamelijke symptomen vaak minder goed op medicatie reageren, zou dieetinterventie vooral voor deze kinderen uitkomst kunnen bieden.
www.adhd-en-voeding.nl 

 

Allergie ] Koemelkallergie ] Borstvoeding ] Hypo-allergene melk ] Bijvoeding ] Links ] Tabelpagina ] Dank ] Gastenboek ]